Veteraan in de klas

Laurens van Schaik

Ik heb Lau leren kennen via internet. Hij schreef me omdat hij van maart 1948 tot mei 1950 als dienstplichtig soldaat werd uitgezonden naar Indië. Later kwam hij in Hillegom te wonen en is zo op deze site terecht gekomen.
Hij hield een lezing voor een groep leerlingen van de HAVO en schreef daarvoor zijn belevenissen en gedachten op papier. Zie hier het resultaat.

 

 

 

 

 

Laurens van Schaik
Controleert papieren.

MP staat voor 'Militaire Politie'.

 

Dit is het verhaal van één van de circa 140000 jonge Nederlandse mannen die in de jaren 1945 tot 1949 naar Nederlands-Oost-Indië zijn verscheept om (in eerste instantie) “de Jappen” uit ons Indië te verdrijven en om in de ontstane chaos de orde en vrede te herstellen.
Het was van de Landsregering een logistieke prestatie van ongekende grootheid om zoveel mensen uit een leeg geroofd land te trainen, uit te rusten, te vervoeren en dáár te voeden en in de loop der jaren hun uitrusting en bewapening te moderniseren.
De techniek én de zakelijkheid heeft daarbij zóveel van de organisatie geëist, dat aan de zorg voor “de mens”in het geheel niet werd gedacht. Het heeft dan ook vele jaren geduurd voor dat de naam ‘veteraan’ bij anderen dan  bij de rechtstreeks betrokkenen zelf enige betekenis kreeg. En daar hebben de veteranen zelf hard voor moeten werken.

Veteranen!

Vanaf eind mei 2007 hoor je regelmatig op de radio:  “Praat eens met een veteraan”.  En dan denken jullie misschien, nou ja,  wat moet ik daar mee?
Want wat is nou een veteraan?  Woordenboek erbij en daar staat:
Veteraan:

  1. oud, beproefd soldaat;
  2. oudgediende in enig vak;
  3. iemand die behoort tot de oudere jaargangen…..

En in dit geval gaat het om de eerstgenoemde,  een beproefd soldaat. Iemand die op de proef gesteld is geweest. De oudste groep daarvan zijn bijna allemaal mensen die door de regering werden opgeroepen, die  moesten (!). De latere groepen gingen vaak omdat dit hun beroep was geworden, maar wél altijd in opdracht van de regering van ons - en dus ook van jullie land, dus mede namens jullie of jullie ouders(!),

Wie zijn dan toch die veteranen waarover steeds weer oude verhalen worden opgerakeld?
Wie zijn dan toch die “vechtjassen” (die moordenaars) die in het buitenland tegen vrijheidstrijders hebben gevochten? En dan ook nog diegenen die in Serbrenica zulke verschrikkelijke dingen hebben laten gebeuren? Wie zijn dat?
Dat zijn jullie Opa’s, of de opa’s van jullie vrienden!

En hier volgt dan het verhaal van zo’n opa.
Lang geleden, in de tijd dat ik nog op de lagere(!) school zat, werd er op school veel aan vaderlandsegeschiedenis gedaan. We dreunden jaartallen en genoten van de heldendaden uit de 80-jarige oorlog met geheime boodschappen die in een holle polstok door de Spaanse linies werden gesmokkeld.
En we leerden over onze grote zeehelden de Ruijter, Tromp en Piet Hein. En van Jan Pieterszoon Coen, die Jakatra verwoestte en Batavia stichtte.  Verhalen van onze zeevaarders die de rijkdommen uit ons Indië meebrachten. “De scheepsjongens van Bontekoe“ versieren nog steeds de haven van Hoorn.
En op school werd minstens eenmaal per week gezongen: Het Wilhelmus (2 coupletten), Valerius Gedenckklanken (waarin de geschiedenis werd herhaald). En we bezongen “de schitterende kleuren van Neerlands’vlag”  en “’t is plicht dat iedre jongen…”  en “Wie Neerlands bloed door d’adren vloeit, van vreemde smetten vrij”!
Zo werden wij  vaderlandslievend geschoolden het christelijk onderwijs was daar nog feller in dan het openbare.
Natuurlijk kregen we later boeken te lezen als “de Max Havelaar”, maar afhankelijk van de betreffende leraar (of de thuissituatie) bleef dat beperkt tot  “Saïdja en Adinda” en werden  “de hoofden van Lebak”  vaak vluchtig gepasseerd.

In 1939 kwam de mobilisatie met vermaak op de radio, maar wél gericht op de zelfstandigheid van ons vaderland!
En toen kwam de oorlog over ons heen. Een periode met verschillende ervaringen tussen stad en platteland. Voor mij als buitenjongen, wonend in een kleine stad, was het avontuurlijker dan hard. Maar het was wél hard!
Mijn vader was in de ogen van de bezetter erg ondeugend en al konden ze dat niet bewijzen, ze sloten hem toch maar vast op in een gijzelaarskamp in St.Michiels Gestel. Daar kwam hij na ruim een jaar uit door een administratieve fout van hen zelf.
Wij hadden thuis veel en vaak bezoek en loge’s en er moest steeds meer eten komen voor ‘familie in het Westen’. Want alle eten was op de bon en dan ook nog niet eens altijd te krijgen. En het eten moest dus van de boeren komen, die weer een verplichte levering aan de toen gevestigde overheid hadden. Dus als je daar wat kocht, was dat een risico dat jij met die spullen gesnapt werd, maar ook de boer liep risico omdat hij aan “de zwarte handel” had geleverd! Zo groeide ik daar op als jongen van 13 tot uiteindelijk 18 bij de bevrijding. Naast onregelmatig schoolbezoek werkte ik bij twee boeren én op een grote volkstuin. Het werd voor mij een spel om zo veel mogelijk etenswaren te verzamelen en daarbij uit handen van de CCD (Crisis Controle Dienst) en zwarte politie te blijven. Want ik begreep best, dat zoveel eten niet alleen voor familie was bestemd, maar ergens anders hard nodig was. Stel je voor… iedere dag 10 liter melk en iedere maand een zak met 70 pond havermout! En dat voor een gezinnetje van vier personen.
Na de luchtlandingen bij Arnhem werd het “spel” steeds gevaarlijker en bij gebrek aan andere mogelijkheden heb ik als jongen van 17 jaar het ergste moeten doen wat van een mens verlangd kan worden… Maar onze 28 loge’s bereikten in een novembernacht van 1944 veilig de overkant van de Waal.
En zo rolden we de oorlog uit, de school begon weer, ik deed eindexamen en ging aan ’t werk.
In 1947 dienstplichtig. Mijn broer was in 1945 als OVWer al naar Indië gevaren om de kampen te bevrijden en ik volgde hem na mijn training en opleiding.

Maar waarom vertel ik dat nu allemaal?
Om even een beeld te scheppen onder welke omstandigheden wij waren opgegroeid en hoe wij geacht werden te denken!
Vaderlandsliefde, een beetje te nationalistisch misschien.
Maar denk ook dááraan: bijna niemand had telefoon, er bestond nog géén i-pod, géén computer. Naast dat die dingen nog niet bestonden waren we in die afgelopen vijf jaar ook nog eens leeggeroofd!
Zakgeld had maar een enkeling, uitgaan (waarheen?) was er niet bij.
De meeste mensen hadden zelfs geen radio, omdat ze die in 1942 al hadden moeten inleveren! (Ja, wij hádden wel een kleine radio, maar die was verstopt tussen de traptreden en wanneer radio Oranje met het nieuws kwam, dan stonden mijn broer of ik in de voortuin wat te harken of vegen om bij onraad een bons op de deur te geven) Wanneer je muziek voor je plezier wilde moest je die zelf maken op je mondharmonica of op de gitaar.
En wij waren door de oorlog wel tot één gesmeed tegen de gezamenlijke vijand, maar daar kwam na die periode snel een eind aan!
Door de vooroorlogse politieke partijen was wel meer samenwerking gezocht, maar de geaardheid van ons volkje is er toch op gericht dat wij zo veel mogelijk het eigen stemmetje willen laten horen.
En buiten dat voerde de Com intern acties tegen het kolonialisme vanuit Europa en ging vrijheidsacties ondersteunen in voor- en achter Indie, op Malakka en in ons(!)  Indië . En die acties waren ook merkbaar in de havens van Rotterdam en Amsterdam. Er ontstonden felle discussies, tweespalt onder de bevolking, maar de meerderheid van onze volksvertegenwoordigers steunde de regering in haar besluit dat recht en orde in Nederlands-Indië hersteld moest worden door ons nationale leger.  En … alle mannen tussen de 19 en 25 jaar vielen wél onder de Wet op de Dienstplicht. En dus onder de krijgstucht!
En artikel 1 van de Wet op de Krijgstucht luidt: “De ondergeschiktheid is de ziel van de Militaire Dienst!“

En daarmee kom ik dan nu eindelijk aan het begin van het verhaal van de veteraan.
Jongens van 19 en 20 jaar, waarvan er velen nog nooit op vakantie waren, (ja er zijn erbij die nog nooit eerder van huis zijn geweest) komen in kazernes bijeen. Krijgen allemaal hetzelfde pakje toegeworpen, doen hun burger kleding in hun koffertje en zijn ineens allemaal hetzelfde: rekruut die alléén maar heeft te doen wat die man met die strepen op zijn mouw hun toeschreeuwt.  En dan moeten ze ook allemaal gelijktijdig hetzelfde doen, opstaan, wassen, eten, marcheren tot ze erbij neervallen en op tijd naar bed! En ze leren kaartlezen en schieten. En wij kregen een motor of een jeep onder de kont waarmee wij zeer intensief vertrouwd raakten. En Wetten over Rechtspleging en handhaving, het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering. Tot ’s avonds 10 uur lessen en theorie. En dan krijgen we ook nog  les in de Maleise taal, injecties tegen alle gore ziektes en we krijgen grote kleurenplaten te zien met afschuwelijke zweren en ontstekingen op geslachtsdelen om te waarschuwen dat ze straks in dat vreemde land niet met meisjes moeten uitgaan! En vrij snel worden die jongens eenheden van 10 of 20 man die elkaar helpen, die het voor elkaar opkomen en elkaar bij problemen er doorheen slepen. Dat kwam ook wel goed uit, want ik diende bij de Marechaussee (Militaire Politie) en hoewel onze opleidingsploeg uit zo’n 180 jongens bestond zouden wij, als scheepspolitie, in groepjes van 12 of 24 man per schip naar Indië varen.
En dan komt de dag dat de grote reis gaat beginnen. Met 1500 mensen in hangmatten tot vierhoog boven elkaar in de ruimen van een tot troepentransportschip omgebouwde vrachtboot. Met onderin alleen maar ventilatie als het hard waait!
Naar Indië! Wij deden daar vier weken over. Vier weken feitelijk niks doen. Maleise les, wetboeken bestuderen en voor de rest: ‘kaarten’. Geen bier, geen cola.

En dan kom je aan in een land met (zoals ons geleerd!) inlanders, halfbloeden en Chinezen.
De eerste kennismaking is meteen opzienbarend: rijdend door Batavia langs het Molenvliet zie je vrouwen die de was doen, daarnaast staat er een zijn tanden te poetsen en meteen daarnaast zit er een in dat zelfde water te poepen!
In de kazerne van waaruit wij verder de archipel in zullen worden gestuurd staan gamellen met lauwe - of koude thee want gewoon water kun je nergens drinken. En toch raken een aantal van je maten aan een vorm van paratyfus(enorme diaree). Ze zijn daarbij meteen te zwak om dienst te doen dus nemen anderen die automatisch over. Want er moet wél wacht gelopen worden omdat niet iedereen blij is met onze aanwezigheid!
En dan wordt het even ná zes uur ’s avonds ineens donker. Binnen een kwartier is het stikdonker. En je ziet overal wat bewegen en in de bomen zitten beesten te krijsen en je schrikt je rot wanneer vlak naast je ineens een gekko zijn stem laat horen of een tjitjak langs je heen schiet…..
Binnen, achter de muren zitten wat jongens. De een leest, de ander schrijft een brief. Die brief zal er bijna drie weken over doen vóór ze die thuis lezen en dan duurt het nog eens drie weken voor hij antwoord krijgt.

In Batavia worden we meteen door een paar oudere KNILmilitairen (KNIL = Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger) aangepakt om op onze komende taken te worden voorbereid. Ze slepen ons bij nacht en ontij door deze milioenenstad en confronteren ons soms met keiharde feiten. Dat blijkt later een prima oefening in zelfbescherming te zijn geweest door het leren inschatten wat wél of geen risico was.
En wat hebben we daar dan meegemaakt en hoe hebben die gewone, gezonde Hollandse jongens uit deze koele streken zich daar gedragen?
Daar wordt, met de wetenschap en de achtergronden van nu én de wisselende politieke verhoudingen, heel verschillend op gereageerd. En dat is vaak niet eerlijk!

                 

Wat mijzelf betreft, als dienstplichtig Marechaussee. Militaire Politie dus!
Vanuit Batavia met nog drie jongens van mijn opleiding met de Pakketvaart-boot eerst over zee een stukje terug en dan de rivier de Musi 100 km. opgevaren naar de stad Palembang. Dat was de basis standplaats van 3-MP-III. Daar ontmoette ik jongens van eerdere opleidingen, of jongens die met een eerdere boot naar de Oost waren gevaren.
En wat deden we daar dan?
In de stad:

  • verkeerscontroles, optreden en verbaliseren bij ongevallen;
  • stadspatrouille lopen, controle bioscopen en zalen waar militairen
    hun vrije tijd doorbrachten;
  • controle BBZ. (bestrijding besmettelijke ziekten) Militairen die in verboden huizen of wijken werden aangetroffen gingen zonder pardon, mét een procesverbaal, naar het ziekenhuis voor ontsmetting;
  • incidenteel bijstand aan de afdeling recherche.
  • en dan escortes: bij militaire begrafenis plechtig, strak! Maar bij het bezoek van de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, de heren Beel en van Mook ging het eventjes van Jetje! Strak naast elkaar met 60 mijl per uur door de stad naar het paleis van de Resident. Prachtig!

Op politiële-aktie:

  • Kerst ’48 landing op Djambi. Daarna met gevangen hoge Indonesische Pieten terug naar Palembang en meteen doorgestuurd naar de Lampung (zuidelijkste deel van Sumatra);
  • diverse aktiepatrouilles met KNIL en burgerpolitie gelopen. Meerdere vuurgevechten waarbij éénmaal een lichtgewonde aan onze zijde viel;
  • twee maal een nachtelijke aanval van pemuda’s op ons onderkomen moeten afslaan. Een grote groep mensen, volledig opgefokt met religieuze kreten, gekleed in witte jurken die met voorladers, kapmessen en krissen op je afstormen!.........       Vreselijk! maar het was wel zij of jij!......
  • En het ergste was wel: het moeten tegenhouden van die rustige Hollandse jongens die wraak wilden gaan nemen voor de moord op een van hun makkers. Deze, een hospitaalsoldaat, werd door de mensen uit een kampong vlakbij vaak geroepen voor – op het laatst zelfs geboortes(!) – medische problemen. Meestal vergezelden wij hem. Het was er vaak gezellig ondanks hun probleem van dat moment. Die soldaat was toen alleen gegaan en omdat hij wat lang wegbleef gingen wij hem zoeken. En wij vonden zijn hoofd……. En wij mochten niet toestaan, dat die volkomen doorgedraaide makkers hun maatje zouden gaan wreken op onschuldige dorpsbewoners die al voor een deel gevlucht waren, of zich schuil hielden.
  • Na de wapenstilstand stads- en veldpatrouilles met de burger politie en het begeleiden van handelskonvooien naar plaatsen in het binnenland tot aan de overdracht aan de Republik Indonesia Serikat op 27 december 1949. Dat begeleiden moest wel doorgaan, want de roversbenden die zich niets van een wapenstilstand aantrokken zwierven nog overal rond.
    En er bleven steeds maar slachtoffers vallen! ! !

Toen weer terug naar Palembang waar de tijd werd gedood met verkeersdiensten, BBZ en recherchewerk. Wat dat laatste betreft gold ook daar de roep van de Amsterdamse bloemenkoopman: “Kleine stelen en grote stelen, maar groten stelen het meest!” (de rest valt onder ambtsgeheim)

Eind mei 1950 terug naar Batavia, daar bijna alle oude maten ontmoet en samen weer als scheepspolitie terug naar Holland waar we op 1 juni 1950 de sluizen van IJmuiden passeerden.

En dan vragen we ons nu af:
1. Wat is mij persoonlijk het meeste bij gebleven?
2. Is het nuttig geweest dat ik daar was?
3. Kan ik daar met een rein geweten (wat is dat?) aan terug denken?
4. Is het wel 6200 jonge mensenlevens (alleen al van onze kant) waard geweest?
5. Waren ze blij toen we terug kwamen?
           
Antwoorden:
Vraag 1
In het begin heb ik lang last gehad van: de executies,
de begrafenissen van eigen jongens,
de onwetendheid (toen) waarmee wij werden uitgezonden,
de onwetendheid waarmee wij terug werden ontvangen en beschuldigd!
Vraag 2 Nuttig? Voor mijn karaktervorming, mijn zelfstandigheid: Ja, maar “men” heeft wel drie jaar van mijn jeugd afgepakt waardoor ik in een totaal vreemd land ben teruggekeerd.
Vraag 3 kan ik eerlijk met Ja beantwoorden
Vraag 4 is persoonlijk niet te beoordelen. Wanneer je aan je eigen maten denkt, is  
ieders leven er een te veel. Als je bedenkt hoeveel onschuldigen wij waarschijnlijk
hebben gered………? Blijft een vraagteken. Maar op de manier hoe hier in Nederland de ouders werden ingelicht over de dood van hun kind: Bij de een kwam een politieman of een gemeenteambtenaar, maar ook vaak “een jeep met een  “militair” en soms, heel soms de dominee, die kwam vertellen “dat hij tot zijn spijt moest mededelen dat hun zoon was overleden”. En verder niets…..helemaal niets! Zijn maten verzamelde zijn persoonlijke spullen en die werden vaak met brieven van die jongens en de ‘verplichte brief van zijn commandant’ in een pakje thuis bezorgd. En dat was het dan! En daarover kunnen wij nog steeds heel kwaad worden.
Vraag 5. Mijn ouders waren blij! En er kwamen felicitatiekaarten van wat tantes en ooms. En dat was het dan ook. Goed, je kreeg nog zes weken soldij, maar dan moest je maar zorgen dat je werk had, want je moest thuis wél kostgeld betalen.