Sneeuwwitje

Dit verhaal is opgemaakt door een Marva, oftewel een lid van de Marine Vrouwen Afdeling.

Lang geleden ister een mevrouw, die zit voor gaar raam. Zij piker en piker en zij denk: Alah tobat, ik verlang zo een kind, maar njang mooi, -- niet zo idoeng pesek en ramboet djagoeng. En toen …….. verachtig, zij krijgt  een kind njang mooi en lief, zo sloes en zo blank, met zwarte garen en blauwe ogen. Maar de mevrouw wordt ziek en haat dood en kassian, nu heeft Sneeuwwitje geen moeder meer. Toen haar pappie neem een nieuwe mevrouw, maar deze erg djahat. Zij wel mooi, maar toch niet zo mooi als Sneeuwwitje. Als zij haat wandelen met Sneeuwwitje alle mensen kijken en zeggen: wadoe, soo’n mooi meisje, so aloes en so manis. Vervelend seh, denk die mevrouw waarom zij niet zeggen: wadoe, soo’n mooie mevrouw, pakeh bedak en pakai brosje. Weet je wat, ik zal maar laten doodmaken, Sneeuwwitje. Zij roep een jaher en zij zeg: Jij moet doden Sneeuwwitje. “Doeh Alah, kassian toch, so’n mooie meisje moet dood”. “Perdoeli apa, hat jou neks an; wel jij wel of wel jij niet?” “Nja, soadah” zeh de jaher.” Aan niemand vertellen en jij breng mij de atti van Sneeuwwitje.
De jaher sweer, nij zal niemand vertellen. Dan de mevrouw roept Sneeuwwitje en zeg: Ajo, haat jij mee met die jaher naar de bos en zoek angrek boelan voor mij? “Hoel” seg Sneeuwwitjeen zij gaat met de jaher mee.
Als zij in de bos , de jaher pak Sneeuwwitje bij garen en roep: Nah loe, jij moet dood. De meisje guilt maar en seg: “Waarom toch, ik geb neks gedaan kappan. “Geef neks, jij moet toch dood.” “Vra eskies, vra eskies” roep Sneeuwwitje. Kasian, denkt de jaher en hij seg: “Nah soadah, haat maar weg over de bergen”. En toen hij schiet een tjeleng en hij breng die attie bij mevrouw. Zij erg blij en roep: “Nah, oreeh oreeh, nu ik ben de mooiste in de kotta”.
Ondertussen Sneeuwwitje guilt maar en loopt maar door en door en eindelijk zij kom bij een klijne guis. Zij ketok an die deur. Maar geen antwoor. Zij ketok nog eens en weer geen antwoor. Zij goor maar neks en haat naar binnen. Tafel nja al gedek, klamboe al dich. Sneeuwwitje al kalaparan, zij eet beetje soep, andere bord zij eet aardappel andere bord beetje andeivie, andere bord beetje vlees. Als zij al kenjang zij verlang te slapen, zij stap in een bed, loh veel te klein, zij haat deruit en probeer andere bed… Eerste bed, ken niet; tweede bed, ken niet; derde bed ken niet, alles ken niet. Op laas zepende bed… ken wel. He so lekker seg Sneeuwwitje en haat slapen.
Als al donker, deurnja haat open en wahdoe, sepen dwergen kom binnen. Ze haan erg baaien, schone slaapbroek en kebaja aantrekken en dan… ze haan eten. “Loh, wie eet mijn soep” vraag een. Koh, mijn andeivie habis, koerang adjar seh, mijn vlees waar? Temtoe ister maling, de baas seh “Tjoh, haat soeken”. Ze zoeken overal. Vinden neks. “Nah, soedah we haan slapen maar”. “Loh, waarom mijn bed slodig” roep een. “Allah tobat mijn bed kah gado-gado”, roep ander. “Varek zeh, mijn goeling op de gron”. “Wat is dat”, nommer sepen kijkt op zijn bed en seg sachjes: “wadoe, tjoba liat deze mooie meisje”. Allemaal haat kijken en seg: “Loh, wie is dat”? “Laat maar slapen” de baas zeg. :Nommer sepen, haat jij maar op die baleh-baleh”. Belon lama zij allemaal in slaap.
Als al lich die andere dag Sneeuwwitje wor wakker. Sij zien de zepen swergen. Sij eil guilen weglopen maar deze haan lachen, de baas erg vriendelijk. “Blijf maar hie, seh, jij kan koken en wassen” Sij vin wel prettig en sij blijf bij dwergen. Onderwijl de valse mevrouw ke-enakan. Ister niemand in de kottas so mooi als sij. Sij hebruik mooie kleren, odeur en se kijkmaar door de spichel. Ister veel bedak in haar kesich en sij vraag: “Spicheltje, spicheltje aan de wan, wie is de mooiste in de lan”? Dan seh de spichel: “Sneeuwwitje bij de dwergen in het lan over de bergen is duizendmaal mooier dan jij”. De mevrouw is rasen en zij roep de jaher: “Pigi mana, nij niet doodgemaak met gaar, wach maar jij, ik sal jou wel krijken”.
Toen de vase mevrouw kebruik andere kleren en haat naar guis van dwergen en roep: “Dah juffrouw. “Tjobah u siet mijn mooie barangs”. “Roepa-roepa brosje, penitie kebaja pesoeh kondé, kammen en ister nog veel meer”. “Hoe duur kost dat kam”, vra Sneeuwwitje. “O juppron, heeft mooie gaar, maar niet mooie kam”. “Kom hier, ik sal kammen” en sij druk die mooie kam in de hoof van Sneeuwwitje dat sij wor bleek en val op de gron. “Lekker jij hè” seg de mevrouw en loop weg. Als de dwergen thuiskomensij sien Sneeuwwitje en denken sij dood.
Maar de baas kijk toe en trek de kam uit haar hoof. Hij smeer Sneeuwwitje mat kajoepoetih en dan sij beter en vertel alles. “Temtoe jou stiefmoeder itoe”. “Jij niet meer alleen naar buiten deruit haan, ja”? “Hoeg” sah Sneeuwwitje. De valse mevrouw vra thuis haar spichel en… wallah, spichelnja seh weer Sneeuwwitje suisend maal schoner dan sij. “Hoe dat toch seh”? Koh, spichel seh, “Sneeuwwitje nog niet dood. Zij haat weer verkleden als toekang dagang met grote man sawoh manila. De guis van de dwergen ister alles dich. Zij ketok, maar deurnje blijf dich. Zij ketok weer en weer en op laas raam haat open en Sneeuwwitjeseh: “Haat maar weg ik geb geen gel om te kopen”. “O tida apa, boleh oetang tjobah deze sawoh erg lekkerrr”. “Wah ik durf niet seh, straks ik dood als vroeger”. “Massah”, seg de mevrouw, “u haat dood van sawoh”? “Ik sal gelef eten”. Zij snijdt die sawoh eet de ene gelef en de andere sij geef Sneeuwwitje met vergif. Zodra Sneeuwwitje hap derin, zij val dood. “Mampoes loh, seg valse mevrouw en haat blij naar guis. ’s Avonds de dwergen komen al thuis sij sien Sneeuwwitje weer op gron. Sij geef obat sij hebruik banjak kajoehpoetih neks gelp. “Nou betoel dood”, seg de baas, kasian, allemaal haan guilen. Sij leg Sneeuwwitje in glasen kis voor de guis. Op een keer een prins kom aan. “Weh mooie meisje dese, ja”. “Zij mooi maar al dood”, zeggen de dwergen. “Sajang seh, ik al perliep met gaar, waarom toch al dood”? “Ah, ik perlang gaar te sien elke dag”. “Ja soedah, u neem maar mee…” de dwergen seh op laas. De prins neem de kis op sijn goof en opeens ketoebroek teken een boom. Kroembjeng , kis val kapot en Sneeuwwitje weer levend. De stuk sawoh spring uit haar keel. Nu allemaal erg blij. De prins blijste van allemaal. Hij haat treouwen met gaar.
                        ABIS DIT, AL AFGELOPEN. --------------------

                                                                       21 december 1948