Verdwenen in Batavia.

Door: Bart Smulders

Het liep al tegen de avond en langzaam begon het te schemeren.
Twee ogen bespiedde het meisje vanuit het dichte oerwoud. Schichtig keek ze om zich heen want ze voelde de ogen prikken. Ze wist dat ze bekeken werd maar had geen idee waar vandaan. Langzaam sloop ze verder, zich ervan bewust dat het elk moment mis zou kunnen gaan. Een kreet kwam tussen de bomen vandaan maar daar keek ze niet van op. Er zaten veel wilde dieren tussen de bomen. Ze zakte wat door haar knieën en haar jurk raakte het vochtige gras. Ze mocht niet te vies worden want het was haar mooiste jurk, die ze alleen op speciale dagen droeg en baboe (dienstmeisje) Oena had haar nog extra gewaarschuwd om schoon te blijven. Ze sloop verder en was eigenlijk te ver van de afgesproken plaats vandaan om die als eerste te kunnen halen als het op een sprint aan zou komen. De ogen tussen de bomen bleven haar volgen en toen besefte ze dat het te laat was.

Kees sprong op en rende heel hard naar de afgesproken buutplaats. ‘Buut vrij’, riep hij triomfantelijk. ‘dat had je niet verwacht hè, dat ik zo dichtbij zat’. ‘Ik had je heus wel gezien hoor’, antwoordde het meisje, ‘maar ik vond het leuk als jij ook een keertje zou winnen’. Kees wilde nog wat terug zeggen maar hoorde een stem in de verte.
‘Mirjam en Kees, komen jullie, lekas (vlug, schiet op) het is al bijna donker’, riep baboe Oena vanaf de veranda van het grote huis. Ze sprak goed Nederlands maar af en toe gebruikte ze nog wat Maleise woorden. Zeker als ze boos werd.
De kinderen renden terug naar huis. Zodra het donker werd moesten ze naar binnen komen omdat het niet pluis was in het oerwoud.

Het werd steeds onveiliger in de buurt en vader had het er al over om de kinderen terug te sturen naar Nederland. Mirjam en Kees wilden daar niets van weten want het was veel te leuk in Indië. Hier kon je nog eens wat beleven en zo net na de oorlog was het ook geen pretje om in Nederland te wonen. Alles was er op de bon en de mensen waren nog steeds aan het bijkomen van vijf jaren oorlog en die verschrikkelijke laatste oorlogswinter.
Na de oorlog werd vader naar Nederlands-Indië gestuurd door de krant. Hij was journalist bij het Hollands Dagblad en hem werd gevraagd of hij de onafhankelijkheidsstrijd wilde beschrijven.
Aangezien moeder was omgekomen tijdens een ongeluk vier jaar geleden vroeg vader of ze bij opa en oma wilden blijven of dat ze mee wilden naar Indië. De keuze was niet echt moeilijk want het avontuur lokte hun wel.
Ondanks dat avontuur moest ook het gewone leven weer doorgaan en moest er ook gekeken worden naar een school. Ze gingen naar een internationale school in Batavia waar alleen buitenlandse kinderen op zaten, dat was niet zo heel ver weg. Vier dagen geleden was de zomervakantie begonnen, acht weken vrij in de zomer van 1947.

De spanning nam inderdaad behoorlijk toe de laatste maanden. De Nederlandse soldaten in de buurt ondervonden steeds meer tegenstand. In de stad werden leuzen op de huizen geschilderd als ‘Ga weg van Indonesië, Hollanders’, ‘Dutch go home’ en ‘TNI forever’ TNI was een afkorting van (Tentara Nationaal Indonesië) dat waren de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders. Er waren ook al een paar doden gevallen in de buurt, ook onder de burgerbevolking.

Ze liepen naar het huis en hoorde in de verte een enorme knal. Wat kon dat dan zijn? Zulke knallen hoorde je niet zo vaak. Het moest iets van een explosie zijn. Ze liepen snel door en hadden de veranda van het huis snel bereikt. ‘Oena, hoorde je die explosie’? vroeg Mirjam. ‘Dat was niet zo ver hier vandaan’.
Toen ze binnenkwamen was het onderhand tijd om naar bed te gaan. Vader was een paar dagen weg met een legeronderdeel dus ze waren met zijn drieën. ’s Morgens, ’s middags en ’s avonds kwam er een Jeep met militairen langs om te kijken of alles in orde was en als die langs was geweest dan zouden ze echt gaan slapen. Het duurde vanavond wel heel erg lang en toen het echt laat werd zei Oena dat ze nu echt naar bed moesten.
Ze waren best moe want ze hadden de hele dag buiten gespeeld. Eerst met Susilo de Indonesische buurjongen die net als Kees 11 jaar oud was en later samen omdat Sus, zoals Susilo werd genoemd, weg moest. Mirjam ging altijd gelijk met Kees naar bed hoewel ze twee jaar ouder was. Ze wensten Oena selamat malam (goedenacht) en het werd stil in huis.

Mirjam schoot wakker en ging recht overeind zitten. Waarom was ze nou wakker geschrokken, had ze nou wat gehoord? Ja, inderdaad, ze hoorde een hoop gebonk. Ze liep snel naar de kamer van Oena maar die was al uit haar bed. Oena riep wel iets maar dat was te ver weg, ze kon het niet verstaan. Snel liep ze naar de kamer van Kees maar die lag nog enorm zwaar te slapen. Ze probeerde hem wakker te maken maar dat kostte heel wat moeite. ‘Kees! Dat joch ook. Kees!!!,’ riep ze luid, ‘word nou wakker’. ‘Huh, wat,’ zei Kees slaapdronken, ‘wat is er aan de hand, waarom maak je me nou wakker?’ ‘Er wordt heel hard gebonkt en volgens mij is Oena er al naartoe’. Wordt nou wakker man, ik ben hartstikke bang.’ Kees was nog behoorlijk slaperig. Dit hadden ze nog nooit meegemaakt, er was ’s nachts nog nooit iemand aan de deur geweest. Ze hoorde Oena gillen en waren nu echt wakker. ‘Oena, wat is er loos?’ riep Mirjam. Ze renden eerst via de gang naar de trap. Met twee treden tegelijk naar beneden. Weer gilde Oena. Het kwam uit de keuken. Door de gang liepen ze er naartoe en daar stonden vier Indonesische mannen, zomaar in hun keuken. één van hun hield Oena vast, een hand voor haar mond zodat ze niet meer kon gillen. ‘Diam (wees stil)! Diam!’ Zei hij. Oena knikte en hij haalde zijn hand weg. De beide kinderen stonden als aan de grond genageld. ‘Wie zijn jullie en wat moeten jullie in ons huis, blijf van Oena af’. De man, die kennelijk de leider was, sprak weer: ‘Djangan lari (Niet weglopen)! Disini (Hier)’. En hij wees naar de deur van de keuken. Oena knikte en vertelde dat ze bij de deur moesten gaan staan. De kinderen hadden dat zelf allang begrepen maar waren nog steeds een beetje verdoofd. De drie overige mannen liepen naar hen toe en pakten eerst Kees en daarna Mirjam bij de armen. De man zei: ‘djalan (lopen)!’ Oena begon op dat moment heel snel Maleis te ratelen tegen de man. Deze werd boos en dreigde haar te slaan. Mirjam gilde en de man duwde Oena van zich af en ze viel op de grond. Hij zei weer dat ze stil moesten zijn en door zijn strenge blik moesten ze hem wel gehoorzamen. Oena vertelde dat ze mee moesten lopen en dat ze stil moesten zijn, anders….. Ze gaf nog snel hun schoenen aan.
De drie mannen namen Kees en Mirjam mee en lieten Oena alleen achter. Ze riep nog dat ze niet bang moesten zijn en dat er niets zou gebeuren als ze maar deden wat de mannen wilden. De leider van het groepje zei nog wel tegen haar dat de blanke man die in het huis woonde nog van hem zou horen. En dat hij alle bevelen op moest volgen zonder er militairen bij te halen anders zou hij zijn kinderen nooit meer terugzien.

Kees en Mirjam liepen stil mee met de mannen. Eerst stribbelden ze nog tegen want ze waren opstanding en bang tegelijk. De mannen lieten duidelijk blijken dat er niet met hen te spotten viel. Ze waren net zo groot al Mirjam maar enorm sterk. Mirjam zei tegen Kees dat ze zich maar niet meer moesten verzetten.
Toen ze een eind op weg waren, wilden de mannen hen allebei een blinddoek voordoen. Weer probeerden ze zich te verzetten en Mirjam riep: ‘We gaan zitten Kees en we doen verder geen stap meer’. Hiermee maakten ze het de mannen alleen maar makkelijker en toen ze eenmaal geblinddoekt waren zei de man: ‘Berjalan, sekarang! (Lopen, nu!)’ Ze werden omhoog getild en wisten dat verder verzet echt nutteloos was. Nu werd het echt moeilijk om te volgen waar ze waren. De drie andere mannen hadden helemaal niets meer gezegd sinds ze het huis hadden verlaten. Het enige wat ze nu nog hoorden was het geluid van het oerwoud bij nacht. Ze waren bang en moe maar moesten nu eenmaal verder.

Baboe Oena was helemaal overstuur. Ze hadden de kinderen meegenomen en ze kon helemaal niets doen. Wat moest ze nu tegen meneer zeggen. Zij was verantwoordelijk voor de kinderen en nu was er zo iets ergs gebeurd.
Ze moest even bij zinnen komen en rustig nadenken. Ze was altijd een rustige vrouw die de touwtjes in handen had en overal een oplossing voor vond. Ineens bedacht ze dat de Jeep met de militairen nog niet langs was geweest. Hoe kon dat nou? Ze waren bijna altijd op tijd. Ze moest zo snel mogelijk naar de kazerne, waar de Hollandse militairen waren, om alarm te slaan. De buren, de ouders van Susiolo hadden wel een ossenkar maar die was niet snel genoeg. Ze kon naar de andere buren gaan om een fiets te vragen, dan was ze er sneller. Vlug schoot ze wat kleren aan en sloot de deur achter zich. Het was eigenlijk veel te laat en gevaarlijk om nu op weg te gaan maar ze kon niet anders.
Bij de buren aangekomen zag alles er donker uit. Ze bonkte op de deur en moest een tijdje wachten. Toen ze nog een aantal keer gebonkt werd er geroepen ‘tenang, tenang’ (rustig, rustig) en vanachter de deur werd gevraagd wie er midden in de nacht voor de deur herrie stond te maken. Oena vertelde kort wie ze was en de deur ging open. Vlug vertelde ze wat er gebeurt was en de fiets werd direct gehaald.
Eenmaal op de fiets schoot ze aardig op, maar het was toch een afstand van ongeveer zestien kilometer die ze moest afleggen.
Na tien minuten gefietst te hebben zag ze midden op de weg iets donkers staan, ze stopte en er werd geroepen ‘Setop, siapa itoe, Halt wie is daar’. Gelukkig, het waren Nederlanders. Ze liep naast haar fiets naar de stem toe. De donkere plek bleek te bestaan uit een wegafzetting van een aantal Nederlandse Jeeps. Achter de Jeeps was vaag een wrak van een andere jeep te zien. Het leek wel of die ontploft was. Was dat soms de explosie die ze gehoord hadden? Ze moest haar papieren laten zien en vlug vertelde ze wat er gebeurt was. Ze hoefde niet alles te vertellen want voor ze uitgepraat was zei de leider, een blonde sergeant, dat ze met een Jeep naar de kazerne gebracht zou worden. Daar zou ze verder geholpen worden.

Kees schoot als eerste wakker en voelde dat zijn polsen achter zijn rug bij elkaar waren gebonden. Hij kon nog steeds niets zien want de blinddoek zat nog voor zijn ogen. Hij had een enorme hoofdpijn. ‘Mirjam’, riep hij, ‘waar ben je?’ Mirjam schoot nu ook wakker ‘Ik lig naast je Kees, waar zijn we, hoe hebben we nu kunnen slapen’? ‘Volgens mij hebben ze ons bedwelmd met dat vies ruikende goedje, ik heb er onwijze hoofdpijn van’, zei Kees. ‘Hé Kees, heb je ook je blinddoek nog voor? Laten we proberen om met onze schouders de blinddoek bij elkaar weg te duwen, dan kunnen we wat zien’. In eerste instantie lukte het niet goed, maar na een paar pogingen was de doek bij Mirjam een heel stuk weggeschoven en kon ze zien waar ze was. Vlug hielp ze Kees. Dat ging, nu ze wat kon zien, een stuk sneller.
Het was al licht geworden maar ze hadden geen idee of het nu ochtend of middag was.
Ze lagen in een soort schuur met allerlei gereedschappen. Overal stonden grote jute zakken en op de grond lagen overal kruidnagels. Ze moesten op een soort van kruidnagelplantage zijn. Maar waar?
Ze probeerden de touwen los te krijgen maar die zaten behoorlijk vast. Kees stond op en pakte een soort schep. Hij schuurde met het touw langs de schep. Het ging niet echt vlug maar op een gegeven moment voelde hij ruimte komen tussen zijn polsen en werden de boeien minder strak. Toen schoten ze los en snel hielp hij Mirjam om ook van haar boeien af te komen.

Er was niets te horen, geen stemmen en geen andere geluiden. Eerst liepen ze wat door de schuur om de boel te verkennen. Er was echt helemaal niemand. Er waren een aantal deuren te zien, maar welke moesten je nu proberen. één van de deuren ging duidelijk direct naar buiten. Maar het was veel te licht om nu zomaar naar buiten te lopen. Maar als ze gingen wachten tot het donker werd konden die mannen weer terugkomen. Wat moesten ze doen? Mirjam liep naar een deur en luisterde aandachtig. Ze hoorde helemaal niets. Zachtjes deed ze die open maar het was alleen maar een soort kast. Ze probeerden de andere deuren. Twee konden niet open en een derde ging naar een ander vertrek. ‘Gek dat er niemand is’, zei Kees. Ze liepen de andere ruimte voorzichtig binnen. Het was een beetje een rommeltje. Er lag van alles op de grond en het meubilair wat er stond was allemaal kapot. Tussen de rommel lag ook een foto van een gezin, kennelijk in betere tijden. ‘Volgens mij is dit een verlaten plantage, Kees’. ‘We moeten zien of we eruit kunnen komen, maar als dat eenmaal gelukt is dan moeten we ook nog eens de weg naar huis terug zien te vinden’. Kees die zich ineens realiseerde dat ze hun pyjama nog aanhadden zei: ‘Misschien kunnen we tussen de kleren op de grond iets passends voor ons vinden,. We vallen veel te veel op in onze pyjama’. Kees vond wel een broek maar geen shirt en Mirjam vond een sarong (rok) die veel te groot was. ‘Mirjam, we zien er echt uit als zwervers, maar goed, beter dan in je pyjama over straat. Maar nu moeten we echt maken dat we wegkomen. Ze liepen terug naar de schuur, langzaam opende Kees de buitendeur en keek naar buiten. Weer die stilte. Was er dan echt niemand? De deur ging verder open en opeens….

Oena zat nerveus aan een tafeltje. Ze had net een kop thee gehad.
Toen ze die nacht aan was gekomen in de kazerne werd ze direct bij de commandant gebracht. Hij stelde zich voor als kapitein de Jong en was een heel rustige man. Hij stelde Oena eerst op haar gemak en liet haar daarna alles vertellen. Nadat hij het verhaal had aangehoord riep hij zijn bode en vroeg hem of hij luitenant van Wenten wilde roepen. De luitenant was van de inlichtingendienst en wilde het verhaal ook horen, en nog een keer en daarna nog een keer. Oena vroeg nog of ze niets moesten ondernemen in plaats van drie keer naar hetzelfde verhaal te luisteren. De kapitein vertelde dat de Jeep die de buurt controleert vannacht was opgeblazen met een mijn en dat de bestuurder was overleden en de rest gewond was geraakt. Daarom zijn ze de vorige avond ook niet langs geweest.
De luitenant ging de kamer uit en de kapitein vertelde dat ze een grootscheepse actie op touw zouden zetten om Mirjam en Kees weer terug te vinden. Dit was namelijk nog niet voorgekomen, dat ze kinderen ontvoerden om bepaalde eisen kracht bij te zetten.
De kapitein vroeg nog of hij haar een bed kon aanbieden om het laatste stukje van de nacht door te brengen maar Oena kon toch niet slapen in deze situatie dus wees ze het vriendelijke aanbod af.

Toen de deur ver genoeg open stond om erdoor te kruipen stond er een enorme hond voor te blaffen. Hij zag er niet echt gevaarlijk uit maar hij was wel groot en hij maakte een enorm kabaal. ‘Ssssst siste Mirjam, je verraad de boel’. ‘Joh dat verstaat hij niet hoor, hij verstaat alleen maar Maleis, Diam, andjing (stil, hond)’, zei Kees. Maar het was al te laat. Uit een naastliggend gebouwtje kwamen twee mannen kijken waarom de hond zo tekeer ging. Snel sloten ze de deur weer en vluchten naar de andere kamer. Ze hoorden de buitendeur opengaan en de mannen schreeuwden wat in het Maleis wat ze niet konden verstaan. Ze vlogen het kamertje door en holden naar een lichtspleet die op een raam leek. Kees gooide zijn hele gewicht er tegenaan, maar dat was helaas niet zo veel. Het hout kraakte een beetje maar gaf maar een klein stukje mee. Mirjam schoof een oude kast voor de deur en Kees probeerde het nog een keer. Een van de planken kraakte en viel eraf. Hij pakte de volgende met zijn handen en negeerde de splinter die in zijn vinger drong. Er werd tegen de deur geduwd maar Mirjam en de kast hielden die nog tegen. Hij rukte weer aan de plank en toen liet ook deze los. Nu de volgende, als die eraf zou zijn, konden ze er tussendoor kruipen. ‘Schiet op’ gilde Mirjam. De deur houdt het niet langer’. Kees rukte met alle macht aan de laatste plank en toen had hij hem in zijn handen. Hij ging Mirjam helpen en gilde dat ze door het raam moest kruipen. Ze bedacht zich geen moment en wurmde zich door de ontstane spleet heen. Kees zag dat ze er doorheen was en nap ook een sprintje naar het raam. Omdat de deur nu alleen nog maar door de kast werd tegengehouden ging die langzaam open. één van de mannen kwam binnen. Kees stak zijn ene been door het raam en tilde net zijn andere op toen hij een ruk aan zijn arm voelde. De man had hem toch nog te pakken. Hij rukte met al zijn kracht. Mirjam gilde en begon aan zijn andere arm te trekken. Opeens zag ze iets in haar ooghoek bewegen en besefte dat de andere man was omgelopen. ‘Kees’, riep ze. ‘Die andere vent komt buitenom’. Kees rukte zijn arm los van Mirjam en liet zich in het huis vallen. De man dook meteen op hem af en zei sissend iets. Allemachtig wat stonk hij uit zijn mond. Kees riep snel ‘Mirjam lopen! Verstop je in het bos! Als je mfmmmffm’. Hij kon niet verder praten want de man hield zijn hand voor zijn mond en keek alsof hij Kees elk moment wilde vermoorden.

De andere man was nu bijna bij Mirjam maar ze was alert genoeg om zijn tastende greep te ontwijken. Ze rende richting het bos maar hij zette direct de achtervolging in. Mirjam had nog nooit voor haar leven moeten rennen en dat gaf haar zoveel kracht dat ze enorm snel bij de bosrand was. Bij de bosrand lag een grote boomstam. Ze zette haar voet er bovenop en wilde afzetten voor een sprong. De bast van de boom liet met een slijmerig geluid los en Mirjam viel voorover. De Man sprong lenig over de stam, zo op haar af. Mirjam was door het dolle heen en trapte met al haar kracht naar de man. Hij probeerde bij haar te komen maar moest afstand bewaren om geen trap te krijgen van de wild maaiende voeten. Snel stond ze weer op en probeerde weer weg te rennen. Ze kon haar evenwicht op dat moment niet onder controle houden. Haar lichaam wilde sneller dan dat haar benen haar konden dragen en weer viel ze voorover. Voor de man was het nu niet moeilijk meer om bij haar te komen. Hij sprong als een kat op haar af en probeerde haar in een houtgreep te krijgen. Ze zocht met haar hand naar iets wat ze kon gebruiken maar kon niets vinden. Ze probeerde zich met haar hakken af te zetten en te stompte op de rug van de man die nu boven op haar lag. De stompen hadden weinig kracht in die positie. Langzaam realiseerde ze dat verder verzet geen zin meer had. Weer zocht ze naar iets wat ze kon pakken en nu voelde ze iets hards. Ze pakte het en sloeg hard tegen het hoofd van de man die als een zak meel in elkaar zakte en bewusteloos naast haar bleef liggen. Het bleek een behoorlijke steen te zijn geweest. Eerst keek ze nog bezorgd naar de slappe man maar dat was maar een eerste reactie. Toen kwam Kees ineens weer in haar gedachten. Die ander had Kees weer te pakken gekregen en nu was hij helemaal alleen. Tranen schoten in haar ogen aan de gedachten, maar ze veegde ze kwaad weg. ‘Ik ga hulp halen Kees, we komen samen weer thuis’! Ze liep snel en struikelend door het oerwoud maar wist totaal niet in welke richting ze moest lopen. Van vader had ze geleerd hoe ze aan de zon konden zien hoe laat het was. Het moest ongeveer 11 uur zijn want de zon stond bijna op zijn hoogste stand. Ze moest een weg zien te vinden, een weg die naar een dorp of naar de stad zou leiden.

Kees werd direct weer naar de schuur gebracht. Hij werd direct weer vastgebonden en werd op de jutezakken gegooid. ‘Tingal (blijven)’, zei de man en liep weg. ‘Ik ben je hondje niet’, riep Kees giftig en begon kwaad aan zijn boeien te sjorren. Ze zaten deze keer echter nog vaster. Zijn benen waren ook bij elkaar gebonden dus lopen was er ook niet bij.
Mirjam werd nog steeds niet binnengebracht en Kees wachtte met spanning af. Het duurde een hele tijd voor er iets gebeurde. De deur naar buiten stond nog open en hij hoorde praten en geschreeuw in de verte. Hadden ze Mirjam nou dan toch te pakken gekregen. Hij zag de twee mannen langslopen, de een ondersteunde de ander. Toen de ander Kees zag liepen ze naar hem toe. Kees zag dat de andere man gewond was en van binnen juichte hij. Hij durfde niet echt te juichen want de gewonde man kwam op hem af. Er zat allemaal bloed op de zijkant van zijn hoofd en op zijn shirt. Hij kwam dichter en dichterbij.

Mirjam had besloten om rechtdoor te lopen zodat ze de meeste kans had om een weg tegen te komen. Ze moest er voor oppassen dat ze niet in een kringetje liep maar met behulp van de zon ging het goed. Oena hield er niet van als zij en Kees alleen in het oerwoud liepen. Maar nu kon ze gewoon niet anders. Het gaf haar dekking en ze moest toch op de een of andere manier hulp halen. Na een half uur te hebben gelopen was ze nog niets tegengekomen. Wat was het toch de hele tijd stil om haar heen. In de verte hoorde kreten van apen maar dichtbij helemaal niets. Ja, de vogels, maar die hoorde je altijd. Het was wel vreemd. Ze liep maar gauw door, des te sneller ze liep, des te sneller kon ze hulp halen. Het leek net of ze voetstappen hoorde, maar dat was natuurlijk inbeelding. Als je alleen bent dan hoor je altijd van alles. Met grote passen en af en toe sprongen liep ze door. Daar hoorde ze toch duidelijk weer die voetstappen. Ze stopte en keek om zich heen. Ja, zie je wel ze hoorde er nog één en toen was het stil. Nu ging ze gebukt tussen de bomen lopen en kwam een open plek tegen. Het leek haar niet veilig om over de open plek te lopen dus liep ze er omheen. Plotseling bleef ze staan, nu zag ze wat ze had gehoord. Op een meter of twaalf afstand stond een tijger. Ze trok helemaal wit weg. Wat moest ze doen, ze bleef als aan de grond genageld staan. De tijger stopte ook onmiddellijk en staarde haar aan. Ze wist dat elke vluchtpoging nutteloos was en een wapen had ze niet. Ze staarden elkaar een poosje aan. De tijger zakte door zijn knieën en heel langzaam voetje voor voetje liep ze van hem weg. Van de andere kant kwam er direct een reactie want hij stond direct weer op zijn vier zware poten. Vlucht bleef ze weer staan. Er moest toch iets gedaan worden, anders zou hij misschien nog aanvallen. Ze begon tegen hem te praten, met trillende stem zei ze: ‘Hhhoi poes, ik gga deze kant op, gga jij jij dan die die kant op’? Wat moest ze anders zeggen? De tijger ging weer door zijn knieën maar zette nu elke keer een klein stapje. ‘Nnnee hoor, je gaat me nnniet aanvallen hoor, laat mmmme nu met rust. Je bent zo mmmmooi en je ziet er zo lief uit. Ik loop nnnu weg en jij jij gaat ook weg, OK’? Ze begon weer te lopen maar de tijger zette direct vier stappen haar richting op en gromde. Ze was zo vreselijk bang. Ineens bedacht ze dat Oena haar een sprookje had verteld over het klein jongetje en de machtige tijger. Iedereen was bang geweest van de tijger maar het jongetje had hem met blote handen verjaagd toen de tijger zijn moeder aan wilde vallen. Ze moest nu hetzelfde proberen, het was het laatste redmiddel. Maar sprookjes zijn sprookjes en die verhalen zijn niet echt gebeurd. Toch moest ze het proberen. Ze zette een stap en de tijger reageerde direct door zich schrap te zetten. Ze moest het nu doen. Ze zette weer een stap, maar nu naar de tijger toe. Ze durfde haar ogen bijna niet open te houden, telde tot drie en rende gillend, joelend en springend op de tijger af. Deze schrok zo enorm dat hij het bos invloog. Verbaasd en huilend zakte Mirjam op haar knieën. Ze had niet verwacht dat het zou werken. De tijger had haar makkelijk kunnen doden. Ze was ineens zo ontzettend moe van alles wat ze hadden meegemaakt, ze wilde wel ter plekke in slaap vallen. KEES! Ineens schoot alles weer door haar heen. Ze moest weer verder gaan, ze moest hulp zoeken. Voor rusten was nu geen tijd.

Nadat kapitein de Jong Oena alleen had gelaten, ging ze zitten om haar thee op te drinken. Ze bedacht of ze nog belangrijke dingen vergeten was te vertellen. Ze had de signalementen van de vier mannen zo duidelijk mogelijk doorgegeven en het verhaal een aantal keer verteld. Opeens bedacht ze iets. Ze moest de kapitein nog een keertje spreken.
Ze liep naar de wacht bij de deur en vroeg of hij de kapitein wilde halen. Hij vertelde dat de kapitein al weg was om zijn manschappen bij elkaar te trommelen. Hij kon wel even kijken of luitenant van Wierden nog te spreken was, maar mocht zijn post niet verlaten. Hij riep naar een andere soldaat en vroeg of hij de luitenant wilde halen voor een dringende boodschap van Oena. De luitenant kwam mopperend binnen omdat hij ook bezig was met de voorbereidingen. Oena vertelde de luitenant wat ze had bedacht. ‘Luitenant vindt u het ook niet verdacht dat de Jeep vanavond is aangevallen en dat even later de kinderen zijn ontvoerd. Voordat de kinderen binnenkwamen hoorde we een enorme knal. Dat moet de jeep geweest zijn. Misschien hebben ze dat wel met opzet gedaan zodat ze alle tijd hadden om de kinderen te ontvoeren’. De luitenant begreep onmiddellijk wat Oena bedoelde. Ze zou wel eens gelijk kunnen hebben. Het zou een verzetsactie van de T.N.I. (Tentara Nasional Indonesia), het Nationaal Indonesische leger kunnen zijn geweest. De luitenant bedankte Oena en rende weg.
Nu was Oena weer alleen en er begon een lange tijd van wachten voor haar.

De kapitein had twee Jeeps van de MP (Militaire Politie) naar het huis van Mirjam en Kees gestuurd om onderzoek te doen, daarna had hij twee pelotons opgeroepen. 45 Mannen stonden netjes in het gelid. Hij vertelde de mannen wat er was gebeurt. Normaal zou hij het eerst apart aan de het kader (officieren en de onderofficieren) hebben verteld maar daar was geen tijd voor. Er moest direct actie ondernomen worden. Toen hij klaar was stuurde hij iedereen weg om zich klaar te maken voor vertrek. De soldaten moesten zorgen dat de bepakking en wapens in orde waren en het kader moest, als de MP teruggekeerd was, een planning maken voor de actie. Er kwamen vier grote vrachtwagens, drietonners aanrijden om de mannen te vervoeren.
De kapitein belde ook nog met de inlichtingendienst of ze konden uitzoeken met welk onderdeel de vader van de kinderen mee was gegaan zodat hij gewaarschuwd kon worden. Hij verwachtte daar niet veel van want het was heel moeilijk om een patrouille terug te laten komen zonder dat eerst de opdracht die ze hadden gekregen was vervuld.
De MP was inmiddels ook teruggekeerd en had kunnen uitzoeken welke richting de vier mannen en de twee kinderen waren opgegaan. De manschappen werden bij elkaar gefloten en stegen in de drietonners en kapitein stapte in zijn Jeep. De motoren werden gestart en de achtervolging was begonnen.

Het bebloede hoofd van de man was nu vlak voor het gezicht van Kees. De man zei iets en spuugde van boosheid. Kees kon het niet goed verstaan, wat een enge vent. De man ging nu rechtop staan en pakte een stok. Kees kromp in elkaar en zette zich schrap om de klappen op te vangen, maar de man sloeg niet. Hij trok met de stok een streep door het zand op de grond en siste in verstaanbaar Maleis ‘Djangan liwat disini, djangan bikin soesah!’ (‘Loop hier niet langs, veroorzaak geen last’!). Kees knikte en hoopte dat de man de stok snel weg zou leggen. Dat deed hij, hij gooide de stok naar kees toe maar daar voelde hij niets van. De mannen liepen de schuur weer uit en spraken weer met elkaar in dat onverstaanbare dialect.
Nou, Kees durfde inderdaad voorlopig niets ondernemen. Hij nam de waarschuwing van de man direct serieus. 

 

Dit was het eerste deel van het verhaal, het einde wordt binnenkort gepubliceerd. Houd de site dus in de gaten.