Hoofdstuk 6

Johnny.
 
Reeds eerder hebben we vermeld dat er hier geweldig veel apen zijn. Zolang deze maar in de rubberbossen blijven, levert dat geen enkel probleem op. Doch helaas, zo af en toe infiltreren ze ook wel eens in de bananenaanplant van de inlanders, en ruïneren deze dan verschrikkelijk. Deze mensen kunnen echter weinig beginnen tegen deze apen, omreden ze de middelen daar doodeenvoudig niet voor hebben.
Als het dan al te erg wordt, komen ze wel eens naar ons toe om assistentie te vragen.
Om deze mensen dan te helpen, gaan we wel eens mee op apenjacht.
Als we er dan ettelijke malen doorheen geknald hebben, gaan ze veelal, onder oorverdovend gekrijs, op de vlucht. 't Is echter in de regel van korte duur, want ze komen steeds weer terug.
Als we weer eens door de kampongbewoners gevraagd zijn om de apen te verjagen, en er weer geschoten wordt, komt er op een gegeven moment een grote aap naar beneden vallen.
Wanneer we er naar toe gaan, blijkt het een moederaap te zijn, die haar jonge baby, tussen haar poten, tegen de borst geklemd houdt.
De moeder heeft helaas een schot door de hals en is morsdood.
Het jonge aapje kijkt angstig en hulpeloos om zich heen. Dan maak ik het los uit de armen van haar moeder en besluit het mee te nemen en te adopteren.
Het krijgt de naam van"Johnny"en zal later mijn beste vriendje worden.
In het begin moeten we hem nog voeden met pinda's en bananen en 't is kostelijk om te zien hoe dicht hij dan tegen je aan kruipt, als was je zijn moeder.
Men kan natuurlijk wel begrijpen, dat je van zo'n diertje gaat houden. Trouwens iedereen is dol op "Johnny", maar z'n baas wel het meest van allen.
Soms, wanneer ik weg moet, leg ik hem met een dunne ketting vast aan mijn krib, teneinde weglopen te voorkomen. Hij is echter altijd weer blij als je terug bent en doet dan niets liever dan stoeien en z.g. vlooien vangen in je haardos.
Zo heeft hij ook eens een keer kans gezien het pakje cigaretten uit de zak van mijn tuniek te halen, die ik even op de krib neer gelegd had, teneinde me te gaan wassen.
In de tijd dat ik weg was geweest, had hij alle cigaretten keurig op mijn bed uit elkaar geplozen. Toen ik terug kwam, zaten de slierten tabak nog in z'n snorharen.
Maar ja, dat zijn nu eenmaal apenstreken en het is een kniesoor die daar op let, waar of niet?
De gehele Malakka-periode hebben we hem bij ons gehouden. Toen we van Malakka vertrokken, hebben we hem de vrijheid geschonken. In verband met uitvoer beperkingen ten aanzien van ziekten, mochten we hem niet meenemen, Node, hebben we echter afscheid van hem genornen. Ik kan dan ook niet verhelen dat ik "mijn vriend" nog een hele lange tijd ben blijven missen. Ik ben er echter ook van overtuigd dat mijn"Johnny”, na zo'n degelijke opvoeding, zeker hoofd van een apen kolonie is geworden, en dat is mij tot troost geweest.

 

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 7