Hoofdstuk 2

Van Engeland naar Nederlands-Indië.


De eerste nacht heb ik uitstekend geslapen, doch al vroeg word ik gewekt door het geratel van ankerkettingen. Ook dringt het geluid van draaiende scheepsmotoren tot ons door.
Hoewel nog slaperig, komen we toch al vrij snel tot de konklusie dat de "Nw.Amsterdam" op het punt staat het ruime sop te kiezen.
Als we in sneltreinvaart ons naar het bovendek begeven, slaat de regen ons in het gezicht. Het weer is ruw en stormachtig en het schip heeft de haven reeds verlaten.
In de verte zien we langzaam Albion's krijtkust vervagen. We zijn op weg naar het beoogde doel. Wat zal ons daar te wachten staan?
Orders gegeven vanuit de Officers-Room, worden via speakers ter kennis gebracht aan de betrokkenen. Een van deze orders behelst dat we de, aan ons, uitgereikte zwemvesten konstant bij ons moeten dragen, in verband met het nog steeds aanwezige mijnengevaar ter plaatse.
Onwillekeurig denk je aan de verschrikkelijke gevolgen, wanneer het schip eens op een mijn zou lopen. Naar gelang we dichter de Golf van Biskaje naderen, wordt het weer onstuimiger. 's Middags wordt de compagnie, waartoe ik behoor, voor de tijd van 1 week, als corvee-ploeg aangewezen, om gedurende de etenstijden in de keuken en eetzaal te assisteren. Deze taak bestaat uit het rondbrengen van eten in de eetzaal en naderhand het weer afruimen en afwassen van bestek. Ze hebben ons tot "Zeuntje" gepromoveerd om in scheepstermen te spreken.
Tegen een uur of drie in de namiddag wordt de deining van het schip zo hevig dat ik maar snel in mijn kooi kruip, want de gevreesde zeeziekte kondigt zich aan.

Bovendien heb ik verhoging van temperatuur, vanwege de opgekomen pokken, waarmede ik in Engeland gevaccineerd ben. Alles bij elkaar voel ik me miserabel, doch dit blijkt achteraf nog maar het begin van de ellende te zijn.
De zee wordt steeds onstuimiger. Huizenhoge golven komen op het schip aanrollen, alsof ze het verpletteren willen. 't Is iedere keer weer een wonder dat er ook weer golven zijn die ons "notendopje" er weer bovenuit tillen.
s'Avonds lust ik geen eten, ik moet daar zelfs niet aan denken, want dat is al te veel.
De zeeziekte gaat inmiddels rond als een epidemie. Overal zie je slachtoffers in de meest vreemde houdingen staan braken. Een vieze zure lucht vult langzamerhand de gangen en slaapruimten. Zo lang ik maar plat in mijn bed blijf liggen heb ik er nog niet zo veel last van, maar o,wee als ik overeind moet komen om b.v. naar de W.C. te gaan. Dan komt alles er van boven uit, tot gal toe. Ik heb nooit geweten dat je zó beroerd kon zijn van zeeziekte. Als ze me op dat moment over boord gegooid zouden hebben, dan zou ik geen kik gegeven hebben.
Nw.Amsterdam heeft het ruime sop gekozen
In onze hut van 9 man is er maar één gelukkige, die nergens last van heeft. De rest ligt allemaal horizontaal, met niets zeggende ogen, in 't verschiet te staren, zich krampachtig vasthoudende aan de kooi, om te voorkomen dat ze er niet uitrollen, vanwege de deining van het schip.
De volgende dag, tegen de middag, wordt de zee wat kalmer.
Ondanks mijn barstende hoofdpijn, probeer ik me naar het bovendek te begeven, teneinde wat frisse lucht te krijgen. Ook daar overal slachtoffers met verwrongen geel-groene gezichten, zich krampachtig vastklampende aan de reling. Tot overmaat van ramp krijgen we juist nu sloepenrol. Dat wil zeggen dat iedereen moet aantreden op het sloependek. Groepsgewijs worden we daarop ingedeeld en krijgen dan per groep een reddingssloep aangewezen, waar we, in geval van nood, ons naar toe moeten begeven. Die avond kruip ik maar weer vroeg in kooi, want ik heb nog steeds zware hoofdpijn, waarschijnlijk mede te danken aan de opgekomen pokken. Ik heb namelijk een erge rode gezwollen bovenarm. Maar de volgende dag ben ik gelukkig een stuk beter. Het is nu prachtig weer, een blauwe wolkenloze hemel met een stralende zon. We bevinden ons ter hoogte van Portugal. Vanochtend kon je heel even aan het gezichtseinder de Portugese kust onderscheiden
In de loop van de morgen ben ik naar de kantine geweest om cigaretten in te slaan.   (300 British Consul voor 6 sh., dat is omgerekend in hollands geld f. 3.50.)
Het begint hier al lekker warm te worden, veel jongens hebben hun tropenuniform al te voorschijn gehaald. Weer anderen zijn nog wat vooruitstrevender en liggen reeds met ontbloot bovenlichaam op het dek te zonnen.
Tegen 5 uur in de namiddag passeren we de Straat van Gibraltar.
Aan de ene kant zien we de ongenaakbare rots en aan de andere kant de Afrikaanse kust, twee gescheiden werelddelen.
Het is inmiddels schemerig geworden als we de Straat gepasseerd zijn. Nog lang zien we de duizenden lichtjes van Gibraltar in het water weerspiegelen, een indrukwekkend gezicht.
In de Middellandse Zee aangekomen vervolgt de boot zijn koers, dicht onder de Afrikaanse kust doorin de richting Alexandrië. Voor mij is het echter tijd geworden om de kooi op te zoeken.
Als ik de volgende dag wakker word en me naar het bovendek begeef, kan ik in de verte de Afrikaanse kust nog steeds ontwaren.
De zon straalt vanuit een wolkenloze hemel. In de namiddag passeren we Algiers. Allemaal witte huizen die, zo van een afstand gezien, terrasgewijs tegen de flank van een berg zijn aangebouwd. Door een verrekijker, kan ik dit allemaal zeer goed waarnemen.
Die nacht wordt de klok één uur vooruit gezet, omreden we steeds oostelijker koersen.
Heel vroeg in de morgen zijn we Tunis gepasseerd, zonder ons daarvan bewust te zijn.
Na het uitgebreide ontbijt, dat deze morgen uit broodjes, boter, marmelade, Frankfurter worstjes, cornflakes, melk, suiker en thee bestond, gaan we weer snel het bovendek opzoeken, want het is weer schitterend weer. 
Op het achterdek van de Nw. Amsterdam
Op enige afstand passeren ons, in linie varend, zeven onderzeeërs, waarschijnlijk op weg naar Gibraltar.
In de loop van de namiddag, passeren we het eilandje Lampedusa.
De volgende paar dagen is er weinig meer te zien dan zee. Land kunnen we niet meer waarnemen, maar ter kompensatie gaan we heerlijk op het dek liggen zonnen, want allen willen zo spoedig mogelijk bruin worden.
Via de "board-speaker" wordt medegedeeld dat de reis volgens plan verloopt. Wel liggen we acht uur op het reisschema ten achter, omreden we tijdens de storm in de Golf van Biskaje uit de koers geslagen en in een mijnenveld terecht gekomen zijn. Nadat een Engelse kruiser ons de positie opgegeven had, konden we weer verder.
Dit hele gebeuren is aan ons voorbij gegaan door de zeeziek tragedie. Gelukkig dat alles zo goed afgelopen is, want het had ook anders gekund.
Voor de verandering, worden er sportwedstrijden op het sportdek georganiseerd, onder leiding van Lt. Vincent. Deze bestaan o.a. uit touwtrekken, fietsen op kleine driewielertjes e.d. Voor de winnaars worden prijzen beschikbaar gesteld.
Als we de dag daarop weer bovendeks komen, krijgen we de indruk dat we steeds dichter bij een belangrijke haven komen. We zien namelijk, zo hier en daar, zeilscheepjes aan het gezichtseinder opdoemen, en des te verder dat we varen, des te meer schepen nemen we waar, allemaal eenzelfde koers varend.
Sportdemonstratie's op het sportdek onder leiding van Lt. Vincent.

Tenslotte zien we dan in de verte werkelijk de kust opdoemen. Het water veranderd hier ook van kleur en wordt geel-groen. Ook worden hier haaien waargenomen. Het beeld wordt duidelijker en duidelijker en zo komen we dan tenslotte aan bij de ingang van het Suezkanaal.
Vlak bij de ingang ontwaren we het standbeeld van Ferdinand de Lesseps, de man die de leiding had bij het graven van dit belangrijke kanaal in 1854.

Langzaam, op halve kracht varend, stomen we nu op naar Port-Said.
Hier wordt het anker uitgeworpen en zal er o.m. water getankt en post verzonden worden. De bedoeling is, dat we de volgende dag weer zullen vertrekken.
Egypte is het eerste oosterse land dat we aandoen.
Port-Said
 
De ingang van het Suez-kanaal
Allemaal wit gepleisterde huizen, met hoog daarboven uitstekend de groene koepels van de moskeën. Ook zien we hier de eerste dadelpalmen.
Niet zodra hebben we het anker laten vallen, of van alle kanten komen kooplieden met kleine roeibootjes, al dan niet voorzien van een motor, en beladen met koopwaar op ons schip afstevenen, met de bedoeling deze aan de man te brengen. Als gieren die op hun prooi neerstrijken, komen ze op de boot af.


Kooplieden uit Port-Said trachten hun waren aan de man te brengen

We zijn echter al gewaarschuwd voor deze geslepen kooplui, die het wat de eerlijkheid betreft, niet al te nauw nemen.
Je onderste rij patrijspoorten moeten onverwijld gesloten worden, om te voorkomen dat ze hierdoor naar binnen kruipen,en uit de hutten meenemen wat van hun gading is. Dit blijkt namelijk herhaaldelijk voor te komen.
En het spreekwoord zegt niet voor niets:"Voorkomen is beter dan genezen.''
Luid schreeuwend bieden ze hun waren te koop aan, die voornamelijk bestaan uit lederwaren, zoals tassen, etui’s, cigaretten, zuidvruchten w.o. dadels, doch ook allerlei snuisterijen.
Ondanks alle waarschuwingen zijn er toch altijd nog weer mensen die er in tippelen. Deze kooplui durven namelijk rustig tien maal de waarde te vragen. Dit is nu eenmaal hun taktiek van handelen.

Het afleveren van de goederen gaat heel simpel.Men keurt de waren op een afstand. Wordt men het dan eens over de prijs, dan wordt er een lijn omhoog geworpen,die men opvangen moet.
Hieraan zit een tas bevestigd, welke men vervolgens omhoog trekt. Daarin wordt dan door de koper het te betalen bedrag aan geld gedaan, waarop de tas weer naar beneden gaat.

Men keurt de waren op een afstand. Wordt men het dan eens over de prijs, dan wordt er een lijn omhoog geworpen,die men opvangen moet.
Hieraan zit een tas bevestigd, welke men vervolgens omhoog trekt. Daarin wordt dan door de koper het te betalen bedrag aan geld gedaan, waarop de tas weer naar beneden gaat.
En dan pas komt het gekochte, wéér met dezelfde tas, omhoog, tenminste .... als de koopman er intussen niet met het geld tussen uitgeknepen is, om het ergens verderop te gaan herhalen.

Ik ben er getuige van dat een N.I.C.A. officier een, zogenaamde, gouden ring koopt voor de prijs van F.35.-.
Even later koopt iemand anders éénzeIfde ring, doch nu, na flink afdingen, voor de prijs van f.20.-.
Als de beide ringen wat beter bekeken worden, blijkt het dat ze helemaal niet van goud zijn. De koopman, die z'n geld echter binnen heeft, is al lang verdwenen, en zal Allah wel vele malen prijzen voor de goedheid aan hem bewezen.
Intussen zijn er een paar tankschepen langszij gekomen, met de bedoeling onze zoetwatervoorraad wat aan te vullen.
Niet zo ver van ons vandaan ligt een groot schip in dok, wat ze bezig zijn te repareren.
Naast de vele bootjes met kooplieden, zwemmen er ook een tiental naakte jongens, van omstreeks 13 jaar, rond net schip.
Zodra men een geldstukje in het water gooit, duiken ze er pijlsnel achteraan om dan, na een paar sekonden, triomfantelijk met het bewuste geldstukje in de hand boven te komen.
Het geldstuk wordt dan opgeborgen in de mond, in afwachting van een volgend te gooien geldstuk.
Alles bij elkaar halen deze rakkers nog heel wat geld op, want het regent geldstukjes naar beneden.
Ze zijn ongelooflijk snel in het water; men kijkt dan ook met veel plezier naar deze kleine bruine menselijke dolfijnen.
Inmiddels is het avond geworden en nog steeds zwalken er bootjes met kooplieden rond het schip, aldoor hun roep "Hand-bag, hand-bag" herhalend.
‘t Is een prachtige avond. Stil ligt het grote schip, temidden van deze kleine bootjes,op het stille water.
Port-Said is één grote zee van lichtpuntjes. Héél lang blijven we nog aan dek om daar naar te kijken en van te genieten.
Maar tenslotte zoeken we onze Kooi toch op, en slapen dan, overweldigd door de vele nieuwe opgedane indrukken, spoedig in.
Als we de volgende morgen wakker worden, staat het schip op het punt te vertrekken. De ankers worden opgehaald en iedereen van de vaste bemanning loopt heen en weer te draven.
Trouwens ook de kooplieden met hun bootjes zijn al weer present; óf hebben de gehele nacht rond het schip gebivakkeerd, wie zal het zeggen.
Te omstreeks 6.15 uur vertrekken we vanuit Port-Said. We varen hier op halve kracht, omreden het Suez-kanaal hier maar ongeveer 75 meter breed is. Passeren kunnen de schepen elkaar hier dan ook niet. Op bepaalde afstanden zijn echter verbredingen aangebracht, waar men elkaar passeren kan.
De oevers van het kanaal zijn met betonplaten versterkt, daar er anders te veel grond weggeslagen wordt door de golfslag, wanneer er een schip passeert.
Links van ons, zien we de onafzienbare zandwoestijn van het Sinai-schiereiland met slechts hier en daar een stekelige cactusplant.
Rechts van ons ligt Egypte, eveneens allemaal zand wat we zien, doch hier en daar toch weer afgewisseld met wat groen en met wat dadelpalmen.
Af en toe, passeren we oversteekplaatsen, waar vaak Arabieren met kamelen staan te wachten om overgezet te worden. Ze schreeuwen vaak luid tegen ons, doch aangezien we hun taal niet machtig zijn, kunnen we ze dan ook niet verstaan.
Evenwijdig aan het Suez-kanaal loopt in zuidelijke richting een verharde betonweg en een spoorlijn, in de richting Suez.
Aan deze wegen, die kennelijk van vitaal belang zijn, liggen diverse militaire bewakingsposten.
De zon staat hier, nagenoeg loodrecht, boven ons te branden aan een wolkenloze hemel. Het is bloedheet en de meesten van ons hebben dan ook de dekken opgezocht en liggen daar te zonnen.
Inmiddels zijn we in de Bittere Meren aangekomen. Het Suez-kanaal loopt hier in haar lengte door heen. De vaargeul is keurig met rood-witte boeien aangegeven.
Overal, rondom ons, liggen hier kleinere Britse oorlogsschepen gemeerd. Aan de oever zien we diverse militaire kampementen en vliegvelden liggen.
We kunnen ons dan ook niet aan de indruk onttrekken dat dit Suez-kanaal voor de Engelsen van groot belang moet zijn, vanwege de zware militaire bewaking.
Het Suez-kanaal
Tegen de avond wordt het anker uitgeworpen bij de Egyptische stad Suez. Morgen zal de reis vervolgd worden. Port-Said en Suez zijn twee steden die, ogenschijnlijk, veel op elkaar gelijken. Ook hier naakt zwemmende jongens en kooplieden met bootjes vol snuisterijen om ons heen.
De volgende dag om één uur vertrekken we vanuit Suez, in de richting van de Rode Zee.
Via de Golf van Suez komen we in de Rode Zee uit. Links het Sinai-schiereiland met op de achtergrond de bekende berg Sinai. Rechts, de droge woeste Arabische woestijn, deel uitmakende van Egypte.
We bevinden ons nu in de, reeds in de bijbel genoemde, Schelfzee of Rode Zee, zoals deze tegenwoordig heet. Door een pad in deze zee trokken, indertijd, de Israëlieten, onder Mozes leiding, vanuit Egypte naar Kanaän. Wat een machtig wonder moet dat geweest zijn. Zelfs nu nog, kun je er maar moeilijk van los komen!
Het is hier geweldig warm. De hemel, evenals de zee, zijn helder blauw en er is geen zuchtje wind te voelen.
De tongen kleven aan het verhemelte van de dorst en in de kantine worden er dan ook heel wat flesjes Coca-Cola verkocht.
Trouwens die Coca-Cola is iets nieuws voor ons, 't is een drank waar we hier voor 't eerst kennis mee maken.
De klok wordt nu iedere nacht één uur vooruit gezet, omreden we steeds oostelijker koersen.
's Morgens vroeg is het heerlijk om op het dek te vertoeven, want dan is het nog niet zo warm.
In de Rode Zee
 
Beneden-deks, in de hutten, is het trouwens niet om  uit te houden van de hitte. Véél jongens hebben dan ook deze nacht boven op het dek geslapen.
We bevinden ons nog steeds op de Rode Zee. Af en toe passeren we andere schepen, of steil uit het water oprijzende rotsen.
Ook zien we hier voor het eerst vliegende vissen. Dat zijn vissen die plotseling vanuit het water omhoog schieten en dan vervolgens een eind verder weer in zee duiken.
De intense hitte heeft alle aktiviteiten aan boord tot een minimum beperkt. Nagenoeg iedereen, die gemist kan worden, ligt op het bovendek in de zon te bakken.
De lichamen van de meeste jongens zijn al aardig bijgekleurd, gedurende de reis. Er zijn er echter ook bij die te intensief van de zon gebruik gemaakt hebben en totaal verbrand zijn, ondanks de waarschuwingen van dokterszijde. Daar moet een totaal nieuw "behangetje" op komen en dat zal wel de nodige tijd duren.

Die avond staat de maan hoog aan de hemel en werpt z'n zilveren schijnsel over het spiegelend watervlak. Het lijkt wel een sprookje uit "Duizend en één Nacht", zó schitterend mooi is dat.
Oók de volgende dag koersen we nog op de Rode Zee in de richting Aden. Ook nu is het weer snikheet. We naderen steeds meer de evenaar, waar je de zon loodrecht boven je hebt. (Passeren van de keerkring op 6 november 1945).
We kunnen nu echter nergens geen land meer ontdekken, 't is allemaal water wat je ziet.
In de loop van de dag houdt één of andere dokter, aan dek, een verhandeling over tropen-hygiëne.
Ook heb ik vandaag voor het eerst mijn was gedaan, want dat moet je hier namelijk zelf doen. Bij gebrek aan een wasmachine, hebben we een manier uitgevonden om deze kleding "schoon" te krijgen, zonder dat we er veel moeite voor behoeven te doen. De gebruiksaanwijzing is heel simpel. We maken de te wassen kleding eerst nat, smeren ze vervolgens goed in met zoutwater-zeep, binden ze dan in een bundeltje aan een lang koord en laten dit dan, vanuit een patrijspoort, in het water zakken. De trekkracht van de boot en het zeewater doen dan de rest. Als het koord niet breekt dan kan men, na verloop van tijd, de was omhoog halen en ophangen om te drogen. Heel simpel, zoals men ziet.
Op de 9e. november passeren we de Golf van Aden en komen dan in de Indische Oceaan. De eerste dagen zullen we nu geen land meer zien, slechts lucht en water zullen we het mee moeten doen.
Als welkome afwisseling, zien we af en toe grote scholen dolfijnen, die het schip over grote afstanden vergezellen en steeds hoog boven het water uitspringen, alsof ze ons eens wat beter willen bekijken.
Ook grote scholen "vliegende vissen" worden waargenomen, als willen ze wedijveren met de dolfijnen, wie het langste boven het water kan blijven.
Het is ook vandaag weer snikheet en we begeven ons naar het zwembad, dat op het C-dek is gelegen. Nadat we heerlijk gezwommen hebben en lekker opgefrist zijn, krijgen we aan dek theorie Maleis, dat is de taal die men in Indië spreekt. Ja, we zullen over een tijdje met deze taal te maken krijgen,en het zal dan gemakkelijk zijn als we er iets van verstaan.
Zó rijgen zich de dagen aaneen. Elke dag is hier, ogenschijnlijk, gelijk aan de vorige, een strak blauwe hemel met een fel brandende zon die, nagenoeg, loodrecht boven je staat, zonder ook maar één zuchtje wind.
Er zijn veel jongens met buikloop, dat waarschijnlijk z’n oorzaak vindt in het overmatig vele drinken van koude dranken met deze hitte. Elke dag liggen we op het bovendek in ons zwembroekje te zonnen. De huidskleur van de meesten is inmiddels veranderd in bruin tot
donkerbruin.
Tussen dit luieren door, krijgen we zo nu en dan, voor de afwisseling, wat theorie over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals elementaire tropen-hygiëne, de Maleise taal en de omgang met de Indiërs .
De meest voorkomende ziekten in de tropen zijn, Malaria, Malaria-Tropica of wel Perniciosa, Typhus, Pokken, Cholera, bacteriële Dysenterie, Bloed-diarrhee, Gele koorts, Hondsdolheid, Tetanus, Belroos, Pest, bloedwormziekte, Lepra en allerlei soorten Venerische Ziekten.
Zowaar een geheel A.B.C. van de meest afschuwelijke ziekten.
Om deze ziekten, zoveel mogelijk, trachten te voorkomen, is in de allereerste plaats een bijzondere hygiëne vereist, dat wordt dan ook van ons allen verlangd.
Ook de omgang met de Indiër is een hoofdstuk afzonderlijk.
De Javaan b.v. is in het algemeen niet erg spraakzaam, zo vertelt men ons. Hij kan soms meesterlijk zwijgen en door een sinds geslachten aangekweekte beheersing van z'n gevoel, laat hij de diepste roerselen van zijn ziel maar zelden blijken.
Dat zal ons dikwijls kregel maken, ja, misschien wel driftig. En wie driftig is, verspilt z'n krachten en maakt zich in de ogen van de Javaan voor eeuwig belachelijk. Met kalmte en een grapje bereikt men veel meer dan met woede uitbarstingen, vloeken of harde woorden.
Handtastelijkheden, zijn tegenover Javanen geheel uit de boze.
Ze geloven namelijk dat het hoofd de zetel van de ziel is, dus dat "hoofd" is dan ook heilig. Raak dat dan ook niet aan, ook niet uit een grapje of in scherts. Het kleinste tikje op z'n hoofd of een even oplichten van z'n hoofddeksel, dat hij uit beleefdheid steeds op houdt, is een grove fout.
Er wordt ons op gewezen dat we nooit moeten vergeten dat deze mensen anders denken, voelen en handelen dan wij, al is hun aanleg en intelligentie zeker niet minder dan de onze.
Men moet een Javaan ook nooit "maloe" d.w.z. verlegen maken in het bijzijn van anderen, want dan kwetst ge hem diep en hij zal je dat nooit vergeven.
Het verhaal is bekend van een Nederlander, een dom manneke, die zich tegenover een Javaan er op liet voorstaan dat hij tot het "blanke" superieure ras behoorde. De Javaan hoorde hem beleefd glimlachend aan, zweeg een ogenblik en zei toen: "Kent meneer het verhaal van hetgeen gebeurde, voordat Adam geschapen werd?"
Het is een heel oud verhaal dat ik u zal vertellen.
Toen Goesti Alah, zo noemt de mohammedaan God bij Zijn naam, de mens wilde scheppen, boetseerde hij een beeld uit bleke klei en zette dat in een oven om het te bakken. Nieuwsgierig naar het resultaat, haalde hij z'n schepping te voorschijn en ontdekte dat deze mens nog veel te bleek was. Hij zond dit produkt dan ook naar Europa.
Opnieuw, vormde hij een beeld, stopte dit in de oven, zeggende, nu zal ik beter oppassen. Maar hij wachtte nu te lang, deze mens werd pikzwart en hij keurde ook dit produkt af, en zond dit naar Afrika.
Toen wist hij de juiste duur van verhitting en ziet, de volmaakte, mooi bruin gebrande mens kwam te voorschijn, niet te bleek en ook niet te zwart. Deze mens plaatste hij op Java. 't Is maar een verhaaltje, doch wel met een wijze les daarin.
Na twee dagen varen, zien we eindelijk weer land, al is het niet veel. 't Is een klein eilandje met een vuurtoren daarop. Ook hebben we ontmoetingen met o.a. een Rode Kruisschip, een Torpedobootjager en een paar zeilscheepjes.
Voor het eerst sinds de Golf van Biskaje, hebben we weer eens een regenbui gehad, ál was dit dan een tropische. Het was een aangename verfrissing bij deze temperatuur.
Ook, ikzelf, heb nu al een paar nachten op het bovendek geslapen, omreden het beneden in de hutten niet uit te houden was van de warmte.
In verband met het vele zoetwater verbruik, moet dit gerantsoeneerd worden. Ook met het douchen, mogen we geen gebruik meer maken van zoet water. We zijn met het douchen nu aangewezen op zoutwater en gebruiken daarvoor zoutwater-zeep, want anders krijgt men geen schuim.
Op een zekere avond, als we juist van plan zijn in de kooi te kruipen, gaat de alarm-sirene. Al snel gaat het gerucht dat er iemand over boord gevallen is. Het schip heeft intussen vaart verminderd en is bezig bij te draaien. Machtige bundels licht uit schijnwerpers, tasten het wateroppervlak af op zoek naar de vermeende drenkeling.
Door de speakers wordt omgeroepen dat iedereen zich naar z'n hut moet begeven, waarna inspektie zal worden gehouden of er inderdaad iemand vermist wordt.
Gelukkig blijkt dan al spoedig dat het loos alarm geweest is. Het schip is inmiddels al weer gedraaid en vervolgd z'n weg met verhoogde snelheid.
Op de 12e. november kunnen we, in de loop van de middag, aan bakboordzijde land waarnemen, wat, volgens onze berekening, dan India of Ceylon moet zijn.
Die middag krijgen we ook weer enkele tropische buitjes te inkasseren, wat we echter helemaal niet erg vinden.

Als we de volgende morgen wakker worden zijn we in de marinehaven Tricomalé op het eiland Ceylon aangekomen. We hebben het anker uitgeworpen in een prachtige baai, die momenteel als marinehaven dienst doet.
Vlak bij ons liggen twee Britse kruisers en verderop liggen nog meer oorlogsschepen voor anker.
Vermoedelijk is er in de buurt ook een militair vliegveld, want onophoudelijk komen er militaire vliegtuigen over gevlogen. In de namiddag komt er een Mitchel-bommenwerper van de Nederlandse Militaire Luchtvaart Dienst over gevlogen. Wij zwaaien allen als gekken. De vlieger heeft ons kennelijk opgemerkt, want hij komt andermaal, maar nu al waggelende, heel laag overvliegen.
Voor het eerst na vijf jaar zie ik weer eens bananen en kokosnoten, die hier in ons schip geladen worden. Ook wordt hier olie en water bij getankt.
Op het appel dat gehouden wordt aan dek, krijgen we te horen dat er op 9 november vanuit Nederland een vliegtuig met post voor ons vertrokken is, met bestemming Singapore. Er gaat bij deze tijding een luid gejuich op, want we zijn nu al meer dan een maand van huis, zonder dat we iets van hen, die we achterlieten, vernomen hebben.
Brits oorlogsschip in de haven van Tricomalé op Ceylon
De volgende dag zijn ze nog steeds bezig met het bij tanken van onze boot. Als we daar zo naar staan te kijken, zien we plotseling een enorme grote zeeschildpad vlak bij het schip zwemmen. Doch even plotseling als hij gekomen is, is hij ook weer verdwenen.
Tegen 12 uur wordt het anker gelicht en verlaat de Nw.Amsterdam de baai van Tricomalé met, voor ons, onbekende bestemming.
Gedurende de reis zijn er namelijk regelmatig berichten binnen gekomen, die wijzen op onrust in Indië.
Engelse troepen, die daar geland zijn om het bestuur van de gekapituleerde Jappen over te nemen, zijn o.a. in Soerabaja in hevige gevechten gewikkeld geweest met extremistische groeperingen, die een zelfstandig vrij Indonesië willen, onder leiding van Soekarno.
Deze extremisten zijn opgeleid en voorzien van wapens door de Jappen, gedurende de bezetting.
Het ziet er dus voor ons niet zó rooskleurig uit. We dachten hier naar toe te gaan alléén voor bezetting, doch het kan nu ook nog wel eens vechten worden.
Doch de grote vraag is nu, of we zonder meer in Indië toegelaten zullen worden, onder deze omstandigheden.
We zijn dan ook héél erg benieuwd waar we nu naar toe zullen gaan.
Er wordt namelijk beweerd dat de gezagvoerder een geheime order ontvangen heeft met de opdracht ons op Malakka te ontschepen, in plaats van in Indië.
Afijn, we zullen er maar niet van wakker liggen en maar rustig afwachten wat er komen gaat. In ieder geval gaat het nu wel spannend worden.
De dag daarop is er in de wijde omtrek geen land te bespeuren.
We kunnen nu echter niet zo ver meer van ons doel verwijderd zijn, volgens onze berekeningen.
De volgende dag zien we dan ook inderdaad, aan stuurboordzijde, héél wazig.,land voor ons opdoemen. Dat moet dan de Sumatraanse kust zijn en wel met name Atjeh.
De toppen van de bergen zijn in wolken gehuld. We bevinden ons nu in de Straat van Malakka.
Inmiddels worden we via de board-speakers opgeroepen naar onze hutten te gaan, want we zullen onze dekens in moeten leveren en ons gereed moeten gaan maken voor debarkatie.
Ook wordt aan ons allen een z.g, klamboe (muskietennet) uitgereikt, dat in deze streken over het bed gespannen moet worden, teneinde je te vrijwaren voor muskieten, die de overbrengers zijn van de gevreesde malaria ziekte. Dus kennelijk, gaat er toch wat gebeuren. In afwachting van nadere orders, is het schip nagenoeg stil gaan liggen. Tegen de avond krijgen we een flinke onweersbui, die echter in z'n minst niet voor afkoeling zorgt. De volgende morgen zet de boot zich weer in beweging, met als koers, richting Malakka.
Ter hoogte van het eilandje Penang, dat voor de westkust van Malakka is gelegen, wordt het anker uit geworpen. Hier zal de debarkatie dan plaats vinden. (17november 1945)
Vooraf worden we nog toe gesproken door de gezagvoerder van de Nw.Amsterdam, die dan ook tevens afscheid van ons neemt en ons het allerbeste en veel sterkte toe wenst.
Na verloop van tijd, zien we vanuit de richting Penang, Engelse L.C.T. (Landing Craft Tank) boten in onze richting komen. De Britse Marine is paraat en komt ons afhalen. De debarkatie kan beginnen.
De Nw. Amsterdam heeft het anker uitgeworpen voor de kust van Malakka

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 3