Hoofdstuk 16

Meester Cornelis en klender
 
Op de lle maart moeten we ons gereed houden om stellingen van Brits-Indische troepen in Meester Cornelis over te gaan nemen.
Dezelfde dag heb ik een ontmoeting met Gerrit Mulder, een gewezen politie-agent uit Lunteren, die hier in Tandjong Priok momenteel politiedienst verricht als Inspekteur van Politie 3e klasse. Als oude bekenden, hebben we elkaar natuurlijk heel wat te vertellen.
Ook de stellingen van de Brits-Indische troepen langs het Bandjir-kanaal worden op deze dag door onderdelen van de U-Brigade overgenomen.
Op de 12e maart is het onze beurt om te vertrekken. Zo snel mogelijk worden we
op 3-toners geladen, Bren-mitrailleurs worden op de kappen van de cabines geplaatst, grendels worden overgehaald om op alles voorbereid te zijn, en dan klinkt het commando: "Rijden"! Het konvooi raast op topsnelheid over een weg vol kuilen en gaten, bedekt onder een centimeters dikke laag modder in de richting Meester Cornelis. We passeren overal militaire posten en opgeworpen stellingen, omgeven door prikkeldraad. Zoals gezegd, onze bestemming is Meester Cornelis, een plaatsje even ten zuiden van Batavia gelegen. Hier worden we gelegerd in een Europeese villawijk, en wel in de Leonielaan en de Staatsspoorlaan, alwaar we onze stellingen betrekken.
Kongsi Besar in Batavia.
Op de 13e maart is de gehele U-Brigade op Java aangekomen. De brigade-staf neemt haar intrek in Batavia en wel aan de Roomschen Kerkweg, van waaruit het gecoördineerde werk kan beginnen.
Op de eilanden buiten Java en Sumatra bevinden zich de z.g. buitenposten, die tot taak hebben? door intensieve patrouillegang,de toestand van orde en rust te handhaven en de bevolking het veilige gevoel te geven dat er over hen gewaakt wordt.
Het is dan ook een dringende noodzaak onafgebroken alert te blijven dat er op de kusten van deze eilanden geen infiltraties van ongewenste elementen plaats vinden.
Ned.Indië is namelijk enorm uitgestrekt en we hebben maar weinig troepen daarvoor beschikbaar.
Inmiddels hebben wij in Meester Cornelis onze wachtposten bezet, bestaande uit 2 man van ons en 1 man van het KNIL, wat vaak een Ambonees is. Elke verdachte Indonesiër wordt gekontroleerd op papieren of gefouilleerd op wapenbezit.
's Nachts horen we af en toe in de verte schoten vallen. Een chauffeur van een waterwagen heeft een schot door de voorruit van z'n auto gehad. Gelukkig bleef het bij materiele schade.
Javaanse schonen
We krijgen opdracht om 's nachts te gaan slapen met het geladen wapen bij de hand, om op alles voorbereid te zijn. Rond ons bivak ligt een prikkeldraad versperring, waartussen z.g, booby-traps geplaatst zijn,om ons tegen onverhoedse aanvallen van de vijand te beschermen.
Op de 14e. maart hadden we onze eerste gesneuvelde te betreuren. Hij werd bij het station in Klender neergeschoten, toen hij een aangehouden Indonesiër wilde fouilleren.
Ook komt het herhaaldelijk voor dat er vanuit kampongs handgranaten naar passerende militaire auto's worden geworpen.
Op de 15e. maart worden onze stellingen in Meester Cornelis overgenomen door andere eenheden en moeten wij opschuiven naar voren.
We krijgen dan ons bivak in het plaatsje Klender en wel in een grote loods, opgetrokken met gegalvaniseerde platen, waarin voorheen een rijstpellerij was gevestigd.
Klender ligt aan een spoorweg-station en heeft de naam dat het er erg onrustig is.
Een station beschermd door zandzakken en geschonden door kogelgaten, een afgebrande pasar, weggevluchte bevolking, tuinen vol onkruid met kapot geslagen huisraad is de aanblik wat we hier te zien krijgen,en "Merdeka" moet voorstellen!
De doorsnee vooruit geschoven posten, waar Nederlandse soldaten liggen, bestaan uit wat wrakke bamboe-huisjes met wat legertenten; met planken versterkte looppaadjes, afvoergeulen voor water en electrische kabels, behorende bij de benzine-aggregaat, die de stroom moet leveren. Verder is er een openlucht keuken, een afgeschutte badgelegenheid bij waterput of kali en in de hoeken van het kampement zijn dan de latrines te vinden, waar men z'n behoeften kan doen. Soms staan er een paar bomen, waaronder opeengestapelde jerry-cans met benzine. Hier en daar staan wat militaire voertuigen langs de weg, die door het kampement loopt. Op vitale punten liggen dan de schutters en mitrailleur opstellingen, beschermd door zandzakken, wat ook geldt voor een eventueel aanwezige mortier-opstelling. Rond zo'n kleurloos kampement is dan een prikkeldraad versperring aangelegd, waaraan vaak lege cigaretten-tinnetjes hangen om te waarschuwen als de vijand de draden aanraakt. Schildwachten, het geweer achteloos in de armholte, lopen traag slenterend langs de draad of zitten in een wrakke stoel uit te kijken of er geen gevaar dreigt. In de kamponghuisjes en tenten liggen halfnaakte soldaten te slapen; anderen zitten brieven te schrijven aan een kreupele tafel of bladeren verveeld in een tijdschrift.
Bij de waterput wassen soldaten hun kleding en schoenen; weer anderen maken in de schaduw van een boom hun wapens schoon, terwijl bij de keuken wat blauwe rook omhoog kringelt. Wat verderop speelt iemand op een mondharmonica en hoort men het naargeestige geluid van een rinkelende veldtelefoon in de commando-post.
Overal rondom loert het onzichtbare gevaar, want soms kan er plotseling op klaarlichte dag, van buiten het prikkeldraad, een sniperschot vallen. In de nacht hoort men soms in de verte het geluid van een mortierschot of ratelt er een machinegeweer in de nabijheid. Iedereen tuimelt dan slaapdronken van z'n krib, schiet de schoenen aan, grijpt vervolgens blindelings naar het gereedstaande wapen en rent naar z'n aangewezen alarmstelling. Vaak is het bivak dan omsingeld en komt er een aanval.
Zo koeltjes als de ontvangst in Priok bij de ontscheping was, des te warmer was deze bij het plaatsje Klender. De terroristische "gangs" die, tot onze komst, in de Brits-Indische z˘ne een lustig leventje hadden geleid, ontvangen ons warm, doch niet erg hartelijk. Even stonden we er wat vreemd tegenover, was dit nu Java?
Station Klender
Zo vind er in de nacht van de 17e. maart, op z'n onverwachts, ook op ons kampement een aanval plaats. Het vuurkontakt is kort maar hevig. Twee van onze jongens worden dodelijk getroffen, te weten Gerrit Volkers uit Voorthuizen en Wouter Stronkhorst uit Nunspeet. De extremisten verliezen die nacht acht man.
De verdere nacht blijven we in de stellingen paraat, gespannen luisterend, niet erg op ons gemak. Om ons heen is het stikdonker en dan al die vreemde geluiden, die men niet thuis kan brengen. Is het soms hun bedoeling ons uit de slaap te houden en op die manier klein te krijgen?
De dag daarop breekt er weer een gevecht uit bij het station Klender, waar we bezig zijn met een treinkontrole. Ook nu weer worden we van alle kanten beschoten. Het vuren komt, bij nader inzien, vooral uit de kruinen van in de buurt staande palmbomen, waarin ze zich verstopt hebben. Maar ook uit de dicht bijliggende kampong "Malajoe" wordt met een mitrailleur op ons geschoten. Inmiddels hebben we dekking gezocht in een greppel, langs de spoorbaan gelegen, van waaruit we het vuur beantwoorden. Eén van onze jongens, met name Cor van Beek, wordt bij dit vuurgevecht door z'n duim geschoten. Als we vervolgens met de Bren-mitrailleur de omliggende boomtoppen even onder vuur genomen hebben, wordt alles doodstil. We hebben onze eerste vuurdoop hier in Klender gehad. Hoeveel zullen er nog volgen?
Trein-kontrole op het station Klender.
Het station Klender wordt aangevallen door extrmisten.
Verdachte personen worden nader aan de tand gevoeld.
Stille getuigen.
Op de ru´nes van Klender.

 

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 16