Hoofdstuk 15

Singapore
 
Omstreeks 12 uur stomen we de haven van Singapore binnen. In de haven, die erg groot is, liggen een groot aantal schepen voor anker, waaronder zowaar ook de Nw.Amsterdam.
Ook nier zijn de gevolgen van de oorlog nog duidelijk waarneembaar, want hier en daar ziet men de masten van de gezonken schepen nog boven het wateroppervlak uitsteken.
Er wordt bekend gemaakt dat de zuig-perspomp van ons schip defekt is, en gerepareerd zal moeten worden.
Waarschijnlijk zullen wij, gedurende die tijd, gedebarkeerd en naar een transit-camp gebracht worden, maar hiertoe is nog niet definitief besloten. Dus afwachten maar weer:
In ieder geval wordt de boot aan de kade gemeerd, teneinde gerepareerd te worden.
's Avonds aan dek genieten we van de duizenden lichtjes van Singapore en de verlichte schepen in de haven, wat een belevenis op zichzelf is.
Ook de volgende dag moeten we nog aan boord blijven. Wel krijgen we avond-permissie om van 18.30 uur tot 0.30 uur van boord te mogen gaan, teneinde Singapore te kunnen bezichtigen.
De Nw.Amsterdam in de haven van Singapore
Wel wordt ons de goede raad meegegeven om dit in kleine groepjes te doen, zodat men elkaar kan bijstaan wanneer er zich moeilijkheden mochten voordoen.
Singapore is een echte oosterse havenstad, waar van allerlei gespuis rond loopt. "Oppassen en uitkijken" is dan ook het wachtwoord.
Niet zodra zijn we van boord,of we zien de fiets-taxi's al staan wachten, om ons naar elke gewenste plaats te vervoeren.
Singapore is een stad met een bruisend nachtleven, men merkt hier geen verschil tussen dag of nacht, alles gaat gewoon door.
De grootste bevolkingsgroep bestaat uit Chinezen, waarna Maleiërs en Indiërs volgen.
We zien hier voor 't eerst torenhoge flatgebouwen, ook zijn er enorme warenhuizen en veel bioskopen en dancings.
Met een riksja laten we ons door de beruchte rose buurt "New World" rijden.
Gelukkig komen we allen, heelhuids en gezond, tegen 24 uur weer bij de boot aan.
Chinese meisjes in Singapore
Singapore 1946

Singapore 1946

Singapore 1946

De daarop volgende dag worden we, tegen de middag, met landingsvaartuigen van de Engelse marine, overgebracht naar het Britse troepentransportschip "Sansovino".
De reparatie van de oude "Guneverre", gaat te veel tijd in beslag nemen. Wij zijn echter al lang blij dat we dit oude wrak vaarwel kunnen zeggen.
De "Sansovino" is een modern schip en kan, wat de inrichting betreft, de"Nw.Amsterdam" evenaren.
We worden daar ondergebracht in grote slaapverblijven, waar zeker
zo'n 300 man in hangmatten kan slapen. Enorme luchtkokers zorgen voor verse lucht, zoet water is er plenty aan boord, dus geen geknoei meer met zeewater.
Aan boord van dit Engelse schip zit ook een detachement Engelse mariniers.
Op 6 maart komt ook onze bagage aan boord, waarna het schip tegen 12 uur het anker licht en vertrekt.
Geruchten gaan, dat het schip als bestemming Tandjong-Priok heeft. Voorlopig hebben we nog even de tijd, al heeft het schip dan ook een kruissnelheid van 22 mijl per uur.
De tijd wordt aan dek doorgebracht met brieven schrijven en een biertje drinken.
Op 7 maart passeren we het eiland Banka, dat we in de verte kunnen zien liggen en bekend is om de tin die daar gevonden wordt.
's Avonds genieten we van een cabaret voorstelling,die door engelse matrozen aan dek wordt opgevoerd.
Ook krijgen we de gelegenheid om aan boord van dit schip de radarinstallatie te bezichtigen, wat iets nieuws voor ons is.
Eveneens is er, als aanvulling, een installatie aan boord die per dag 800 liter zoet water uit zeewater maakt.
De engelse vertellen ons dat dit een Amerikaans schip is, dat volgens bruikleen overeenkomst aan Engeland geleverd is. In april '45 zal de overeenkomst eindigen,en zal het terug geleverd moeten worden.
Op 8 maart zien we, nadat we verscheidene kleine eilandjes gepasseerd zijn, vaag in de verte de kust van het eiland Java voor ons opdoemen.
Tegen vier uur in de namiddag manoeuvreert het schip, tussen roestige rompen van talloze gezonken schepen door, zich naar een van de kaden.
Achter de stoffige kaden staan de geruïneerde loodsen, temidden van enorme brokken opgeblazen beton, bergen roest en verwrongen ijzer.
Door de aangerichte verwoestingen, maakt het gehele haven-complex een trieste indruk.
Als gesmolten zilver ligt het watervlak, met daarachter een groen land met palmen en moerasbomen en vaagblauwe bergen die rijen aan de horizon.
't Zij zo het zij, al is er dan geen welkomst-commité te bekennen, we hebben eindelijk, ondanks alle tegenwerking, toch de "parel van smaragd " bereikt.
Op de 9e maart worden er in Tandjong-Priok 3000 man Nederlandse troepen gedebarkeerd, zonder één enkel incident.

Haven van Tandjong-Priok
Geruïneerde loodsen te Tandjong-Priok


Wel zien we overal militaire politieposten, die kennelijk de omgeving in de gaten moeten houden.
De emoties beginnen al, zodra we aangekomen zijn.
Met de volle bepakking op onze rug moeten we naar het, twee mijl van de haven gelegen, transit-camp "Kodja" marcheren.
Op zichzelf is dat geen bijzondere prestatie, maar nu het hier natte moesson is, wordt dit wat anders, want we moeten ons nu door een modderbrij van 10 cm. heen worstelen.
We transpireren dan ook als paarden, als we in het kampement aankomen.
Op weg naar het kampement passeren we groepjes bruine mensen, die ons met ondoorgrondelijke gezichten na staan te kijken. Zijn dat nu de extremisten of misschien terroristen?
Het transit-camp "Kodja" dient als opvangkamp voor de pas aangekomen troepen.
Naast onderdelen van de U-brigade is hier ook een kontingent Nederlandse mariniers ondergebracht, met bestemming Soerabaja. Onder deze mariniers ontdek ik twee bekende Barnevelders, te weten Gijs Klomp en Jan Achterstraat.
Het kampement is één grote rode blubberzooi, vanwege de vele gevallen regen. We moeten weer op de grond gaan slapen, bij gebrek aan wat anders, maar daar zijn onze ruggen zo langzamerhand al aan gewend geraakt.
We krijgen, per dag, niet meer dan twee veldflessen drinkwater. Het water moet namelijk, in verband met vergiftigingsgevaar, van elders met tankwagens aangevoerd worden, en is derhalve gerantsoeneerd.
Gelukkig zullen we hier niet lang behoeven te blijven, want de bedoeling is dat we over twee dagen Brits-Indische troepen af moeten gaan lossen.
De eerste nacht krijgen we, als welkomst-kado, een hevige onweersbui met tropische regen te inkasseren.
De 10e Maart verloopt rustig.
Wel krijgen we bezoek van twee Nederlandse dames, die gehoord hebben dat er Nederlandse troepen aangekomen zijn. Deze dames verblijven in een vrouwenkamp in Batavia en hebben, volgens hun zeggen, reikhalzend naar ons uitgezien. Beiden wachten vol ongeduld op het moment dat ze gerepatrieerd zullen worden.
De echtgenoot van één van de vrouwen, is door de Jappen vermoord.
's Middags brengen we een kort bezoek aan Batavia. We mogen echter niet alleen gaan, omreden dit te gevaarlijk is. De order luidt dan ook; met twee man en gewapend.
De bestofte straten van Batavia, de vieze bruin gekleurde grachten, de bekladde muren en schuttingen met de meest afschuwelijke leuzen, de ontelbare uitgehongerde bedelaars, die in de goten en op de trottoirs liggen te sterven en de afschuwelijke stank van de ontbinding, die je tegemoet komt, zullen me altijd bijblijven.
Een groep mannen is bezig een zwaar voorwerp uit één der stadsgrachten te halen.
Het voorwerp blijkt een ruw kruis van dikke planken te zijn, waarop het lichaam van een jonge vrouw is vastgenageld. Armen en benen gespreid, afgesneden borsten en een opengereten buik.
Als we vol walging hiernaar staan te kijken, zegt één van die mannen tegen ons: "Ja toean, zulke dingen gebeuren hier dagelijks."
Vol afkeer wenden we ons af, nu hebben we het zelf met eigen ogen kunnen aanschouwen wat hier allemaal gebeurd.
Het land buiten de steden is van milde vruchtbaarheid en onzegbaar mooi. Er zijn bergen en dalen, bossen en rivieren; het bamboebos ruist in een diep ravijn, en tegen de heuvels liggen de sawah-terrassen te dromen als duizend blinkende scherven in de zon.
Er zijn palmen en waringin-bomen; pittoreske kampongs schuilen met hun rieten daken onder het kruivend boomgewas.
Er zijn duizend eilandjes met witte koraalstranden en met vele variaties groen. Maar over heel dit Indië met zijn steden en het land daarbuiten grijnst het verwaarloosde hongermasker van Nippon en loert de terreur.
Indië is Indië niet meer.
De natuur is adembenemend mooi gebleven, maar de ontreddering vreet aan verlaten rijstvelden en het woekergewas kruipt steeds verder over de kampongs.
De mensen zijn slachtoffers van een chaotische maatschappij. Duizenden en tienduizenden zwerven dakloos en zonder het gezin rond; ergens kreperen ze in de zon.
Hun gronden, waar zijn hun gronden en waar hun kampongs?
De oorlog is als een alles-vernietigende giftige adem over het land getrokken; leuzen en beloften van een nieuw vaderland zijn een hersenschim gebleken, die de doem heeft van een noodlot.
Elk volk heeft z'n slechte elementen, zoals de padi lege aren heeft.
Toen de Jappen voelden aankomen, dat hun strijd verloren was, openden ze de deuren van gevangenissen en tuchthuizen en gaven het schuim van de maatschappij de vrijheid weer, doch ook wapens.
Deze rondzwervende marodeur-benden vinden geen baat bij een maatschappij waar rust en orde heersen,en zij vechten met de rug tegen de muur voor het behoud van een chaotische toestand, waarin terreur en intimidatie de wapens zijn, waarmee de sterkste over een weerloos volk kan heersen.
Elk volk heeft z'n idealisten; wij zouden deze idealisten gaarne de hand willen reiken.
Wij zelf hebben 5 jaar bezetting achter de rug en de nood heeft wel zeer scherp de grens getrokken tussen schijn en waarheid.
Ware er in dit land geen doel, doch slechts het gebazuin van holle woorden en phrasen, ten einde aan de winzucht van een kliek "koloniale machtswellustelingen" de besten van ons te offeren, ik zeg u, de Nederlandse soldaat zou met dezelfde grimmige verbetenheid het wapen keren tegen dit streven als hij thans de volle last van een schier bovenmenselijke taak op de schouders heeft gebeurd.
De Jap heeft echter dit volk jarenlang vergiftigd met blankenhaat. De haat is het sterkste wapen gebleken toen Japan kapituleerde en geallieerde hulp in eerste instantie uitbleef.
In de chaotische situatie van onzekerheid, van honger en nood, werd ongenadig van dit wapen misbruik gemaakt door onverantwoordelijke elementen, om de vonk aan te blazen tot een vernietigende storm van vuur en bloed. Het enorme beest was losgebroken uit de kooi.
De idealisten zouden het beest graag weer terug willen voeren in de kooi, maar hun aantal is te klein en zij beschikken niet over een gehoorzaam en capabel machtsapparaat om het dolle monster te kunnen overmeesteren.
Hun waarschuwende, pleitende stemmen zijn als die der roepende in de woestijn. Te midden van het rumoer verstaan wij echter hun stemmen; er zal een tijd komen, dat de afstand zo klein is geworden, dat onze stemmen over de kloof gehoord kunnen worden, en wel in een taal, die door niemand kan worden misverstaan. De taal van twee handen, die zonder meer ineen kunnen grijpen.

 

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 16