Hoofdstuk 14

De reis gaat verder, per boot naar ………
 


Eindelijk is het dan zo ver, op de 25e februari worden onze gepakte plunjezakken opgehaald en naar Penang gebracht, teneinde daar in gereed liggende boot geladen te worden.
Maar, eerst nog wat foto's uit Lubok-Kiab.
Lubok-Kiab 1945 - Deze strijdlustige groep bestaat uit, v.l.n.r.
boven: Jab musters, Hannes v.d. Kamp, v.d. Mast, Lamair, Wim Schimmel,
Eddy IJzelendoor, midden: Bouwmeester, Co Duiker, Wim de Ridder,
liggend: Johan Top.
Jongens onder elkaar in Lubok-Kiab op Malakka, v.l.n.r.
staand: v.d. Vlist, Jan Mulder, ?, Kelderman, Herman Knabe, Koot,
Jan van Dussel, Ever van Beek.
Zittend: Wietse Weiland, ?, ?, Frans Huisman.

De vertrekdatum uit Lubok-Kiab is vastgesteld op 27 februari.
's Ochtends om 7 uur vertrekt het eerste transport drie-tonners, volgeladen met uitgelaten "hanen" in de richting van Sungei-Petani.
Vanuit Sungei-Petani gaat de reis verder per trein naar het haven plaatsje Prai, waar we om 5 uur in de namiddag aankomen.
Daar worden we ingescheept op een, voor anker liggend, Engels vrachtschip, dat de naam "Guneverre" draagt.
't Is een oude vuile schuit, die normaliter dient voor goederenvervoer en dan ook helemaal niet berekend is op personenvervoer.
We worden met 2UO man tegelijk in een ruim gestouwd.
Een slaapplaats moeten we maar op de grond zien te vinden, tussen de Kakkerlakken.
voordat we aan boord gingen heeft iedereen een noodrantsoen ontvangen, waar we ons voorlopig maar mee moeten zien te redden, want een eetzaal is er niet aan boord.
Nu het tijdstip aangebroken is dat ik Malakka moet gaan verlaten, voel ik me toch wel enigszins weemoedig gestemd.
Toen ons bataljon zou gaan vertrekken en ik afscheid nam van mijn vrienden onder de kampongbevolking, zei een kamponghoofd tegen mij:
“Me zullen jullie allen missen. Wij hebben hier eerst de Jappen gehad, zij lieten door onze mannen huizen bouwen, sloten ramen en deuren en hielden zich daarachter op met slechte vrouwen en sake (Japanse jenever).
Zij hadden hese stemmen, liepen waggelend en hadden het voorkomen van een “oelar sendok” (Brilslang).
Zij brachten rouw en honger in Kampong. Wij vreesden en haatten Nippon.
Toen kwamen de Engelsen, zij woonden niet lang in de huizen. Meestal waren ze niet in het kamp, en zij bemoeiden zich niet met ons.
Zij gingen naar de stad en keerden alleen terug om wat te slapen en andere kleren aan te trekken.
Daarna kwamen de Nederlanders; zij kwamen luid zingende en gooiden ramen en deuren wijd open. In de avond staken zij alle lichten op. Zij hadden harde stemmen en lachten en zongen veel. Zij kwamen in onze kampongs en huizen en behandelden ons als hun gelijken. Zij groeten onze ouderen beleefd, gelijk zij hun eigen ouders groeten. Zij speelden met onze kinderen en trachtten onze taal te spreken. Zij gaven ons te eten en onze zieken werden geholpen. Wij allen zullen jullie slechts zeer node missen.''

Een Karbouwenkar, zoals men die op Malakka vaak ziet.

 

De volgende dag, eerst tegen half vijf in de namiddag, worden de trossen losgesmeten en vertrekt de boot met onbekende bestemming.
We hebben allemaal maar weinig ruimte voor onszelf, en zitten op elkaar gepropt als haringen in een ton,
Bij gebrek aan zoet water, moeten we ons maar wassen en scheren met zeewater. Helaas zonder zeep, want zoutwaterzeep is niet voorhanden en met gewone zeep kun je niets beginnen,
Gelukkig brengt een tropische regenbui uitkomst, en kan iedereen die dat wil, zich aan dek douchen met dit kostelijke water.
Ondanks deze ontberingen, heerst er een goede stemming onder de jongens, want ze zijn nu op weg naar het doel waarvoor ze gekomen zijn.
We koersen nu langs de Kust van Malakka in zuidelijke richting.
't Is een prachtige mooie stille tropenavond en iedereen, die daarvoor in de gelegenheid is, zit aan dek te genieten van de serene rust.
De deining van de zee doet de golven, als het ware, steeds oplichten, wat komt door de grote aantallen fosfordiertjes, die daarin voorkomen.
Het is een pracht gezicht om naar te kijken.
Ook zien we onze vrienden de dolfijnen weer, die ons ook nu weer trouw en dartel vergezellen.
Als we de volgende morgen vroeg opstaan, met de bedoeling ons behoorlijk te gaan wassen, zien we in de verte héél wazig de kust van Sumatra opdoemen.
Ook het scheepvaartverkeer wordt hier veel intenser, wat er op wijst dat we een haven naderen. En inderdaad, tegen 11 uur in de morgen naderen we de grote havenstad Singapore.
Vóórdat we de haven binnenvaren, hebben we op zee nog een ontmoeting met een volgepropte schuit gerepatrieerde Nederlanders uit Indonesië, op weg naar het thuisland. Ze zwaaien en schreeuwen als wilden, en ook wij laten ons niet onbetuigd.

Aan boord van de Guneverre

 

 

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 15