Hoofdstuk 12

Een stukje geschiedenis.
 

We schrijven nu medio februari 1946.
Aan alles kunnen we merken dat het tijdstip van vertrek naar Indonesië naderbij komt. Steeds vaker krijgen we bezoek van allerlei stafofficieren die reeds vanuit Australië, in Indonesië gearriveerd zijn.
't Zal dan ook de hoogste tijd worden, want de berichten die daar vandaan komen, duiden op verschrikkelijke toestanden.
Duizenden nederlanders zitten daar nog, voor eigen veiligheid, onder de meest erbarmelijke toestanden, opgesloten in kampen, te hunkeren naar de dag dat ook zij bevrijd zullen worden.
Dagelijks komen er uit het binnenland, op gruwelijke wijze vermoorde mensen, vastgespijkerd op bamboe-vlotten, de rivier de Tji-Liwoeng afdrijven, richting Batavia.
Onze engelse vrienden, die daar alleen de grote plaatsen bezet hebben, doen daar weinig aan. Ze nemen een zeer lakse houding aan, en proberen de nederlanders zoveel mogelijk tegen te werken.
Ja, van je vrienden moet je het maar hebben, dat ziet men hier weer.
Hoe konden ze dit toch allemaal zover laten komen, vragen wij ons af ?
Luitenant den Ouden, een K.N.I.L. officier, die vanuit Indonesië naar Malakka gezonden is, om het bevel over het le.Reg.Jagers over te nemen, en gedurende de Japanse bezetting op Java gevangen heeft gezeten, kan ons wat meer vertellen over de toestand daar en wat er allemaal aan vooraf gegaan is.
Medio 1944 zijn de japanners door de kolossale amerikaanse oorlogsinspanningen over alle linie's in de verdediging gedrongen.
Om de archipel te helpen verdedigen, hebben ze een gewapende burgerwacht opgericht, de Peta, waarvan de leden sukarelas (vrijwilligers) worden genoemd.
Ze zijn uit de militante nationalisten gerecruteerd, maar ook op het platteland, met harde hand, onder de jongeren.
Als kader proberen de Jappen dan voormalige inheemse militairen van het K.N.I.L. te ronselen, op weigering staat de doodstraf.
De executies (met bamboesperen) worden opgedragen aan de sukarelas. Daarmee beogen de Japanners een tweeledig doel; het proeven van bloed maakt de vrijscharen oorlogszuchtig en kompromiteert hen tegelijkertijd als oorlogsmisdadiger.
Als het einde van de oorlog nadert, tellen deze vrijscharen 120.000 man, een smeltkroes van oprechte nationalisten, van avonturiers, van gefrustreerden en wraakzoekers, maar ook van pure misdadigers.
Uit deze smeltkroes, zal het toekomstige indonesische leger verschijnen, maar ook de terreurbeweging, die nog jaren na nippon's kapitulatie op weerzinwekkende wijze zal huishouden, niet alleen onder de blanken, maar vooral ook onder de weerloze eigen bevolking.
Na de val van Manilla moeten de Japanners inzien dat ze Indonesië spoedig zullen verliezen.
Ze bereiden een tijdbom voor, bestemd voor de nederlanders als die weer voet aan land zullen zetten in hun vroegere koloniën.
In maart 1945 roept de Japanse opperbevelhebber van Java een kommité in het leven ter voorbereiding van de onafhankelijkheid van Indonesië. Japan kapituleert op 15 augustus 1945.
Op 17 augustus, te 10 uur in de ochtend, leest Soekarno met vlakke stem de onafhankelijkheids-verklaring voor en roept hij de republiek Indonesia uit.
In Batavia hollen leden van de jeugdbewegingen de straat op met de uitzinnige kreet "Merdeka" (vrijheid).
Sukarelas bezetten openbare gebouwen en proberen hier en daar kleine Japanse garnizoenen te ontwapenen.
De Japanners hebben niet veel fantasie nodig, om te begrijpen dat de kollaborateurs van voorheen,zich nu tegen hen zullen keren om zich schoon te wassen in de ogen van de geallieerden.
De sukarela-eenheden worden ontbonden en er gaat een bevel uit om ze te ontwapenen.
De jonge fanatieke sukarela's zijn echter al, met medeneming van hun wapens, ondergedoken.
Deze gewapende groepen, van fanatieke jongelingen, vervallen snel tot het bandietendom. Plundering, verkrachting, afpersing en gruwelijke mishandeling van onschuldige en weerloze kampongbewoners nemen de overhand.
Uitgestrekte delen van Azië moeten plotseling, na de onverwachte kapitulatie van japan, onder geallieerd bevel worden gebracht.
De latere luitenant-gouveneur van Nederlands-Indië Van Mook, wil vanuit Australië met z'n troepen oversteken, maar dit wordt hem door het geallieerde opperbevel verboden.
Door de opstand in Indonesië ontstaat een dreigende situatie voor de ruim 200.000 europeese gevangenen, die half verhongerd en veelal ernstig ziek zijn.
Vele onderdelen van het japanse keizerlijke leger, weigeren de wapens in te leveren.
Bij het geallieerde opperbevel heerst onenigheid over de vraag, welke troepen Nederlands-Indië moeten bevrijden.
De aanvankelijke afspraak was, dat de amerikaanse generaal Mc.Arthur (bewonderaar van de nederlanders en vriend van koningin Wilhelmina) dit karwei zou opknappen.
Maar als gevolg van allerlei politieke intriges loopt de zaak anders.
In 1944 is er een bespreking in Honoloeloe geweest met de amerikaanse president Roosevelt en de engelse oorlogsleider Churchill. De koningin heeft met het oog op deze bijeenkomst de verzekering gegeven dat nederland bereid is de souvereiniteit aan de indonesiers over te dragen langs de weg van een geleidelijk proces.
Na de konferentie schrijft (Mc.Arthur een uitgebreid rapport, waarin hij de nederlandse regering in Londen waarschuwt voor de engelsen, die volgens hem, inzake de toekomst van Indonesië, dubieuze bedoelingen hebben.
Dit rapport gaat naar de nederlandse inlichtingendienst in Brisbane.
Het wordt doorgezonden naar Londen via de normale diplomatieke post, in plaats van met een speciale koerier.
Het bewuste rapport wordt door de engelsen onderschept en de nederlandse regering krijgt de waarschuwing nimmer onder ogen.
Wel nodigt Churchill enige tijd later de nederlandse premier Gerbrandy diverse keren uit. Bij die gelegenheden wijst hij er op dat het nederlandse prestige in het geding zal komen, indien de amerikanen Nederlands-Indië bevrijden.
Aldus raakt Mc.Arthur het opperbevel in dit gebied kwijt aan de engelse admiraal Lord Mountbatten, die tevens deel uitmaakt van het britse koningshuis.
Ons Indië is een politiek niemandsland geworden.
Fataal voor de nederlandse belangen is in de zomer van 1945, vooral de houding van de engelse troepen, die de door Soekarno uitgeroepen republiek erkennen, en die kennelijk steun verlenen aan de gewapende Hei-ho benden, die de bevolking terroriseren.
Nederland kan niet ingrijpen, omdat de engelsen de nederlandse bataljons vasthouden op Malakka. Daartoe zijn ze in staat, omreden ons leger logistiek van hen afhankelijk is gemaakt.
In een vroeger stadium was n.l. afgesproken dat het nederlandse leger zou worden uitgerust met het materiaal van de vier in Nederland gekapituleerde duitse divisie's. Die hadden een voorraad, die onze behoeften voor drie jaar zou dekken.
Een jungle-oorlog kost nu eenmaal minder dan een grote oorlog tussen geregelde legers. Dat duitse wapentuig werd door de engelsen echter in de noordzee gedumpt.
De eerste nederlandse troepen die uiteindelijk voet aan wal zetten in Indië zijn dan ook slecht uitgerust.
De engelsen en australiërs zijn het er in de zomer van 1945 over eens dat het de moeite loont om te proberen de rijke oost-indische buit onderling te verdelen.
In de wandelgangen van het ministerie van buitenlandse zaken in Londen heeft dit streven zelfs een kodenaam gekregen "Ditch the Dutch" (Houdt de hollanders er onder).
Op 29 september 1945 gaan geallieerde strijdkrachten in TandjongPriok op Java aan land.
Zonder de nederlandse regering daarvan in kennis te stellen, nodigt de engelse kommandant de Indonesische leiders, die de opstand leiden, uit hem bij zijn taak behulpzaam te zijn.
Van Mook komt in Batavia aan. Hij krijgt echter geen enkele steun van de geallieerde machthebbers.
Om de vele duizenden europeanen, die nog in de kampen onder indonesische kontrole leven, te redden, besluit Van Mook om met de republikeinse leiders in onderhandeling te treden.
Uiteindelijk slaagt Van Mook erin om z'n troepen, als onderdeel van de geallieerde strijdmacht, aan de bezetting van Indonesië te laten deelnemen.
Behoudens op Java en Sumatra wordt overal in Ned.Indië het nederlands bewind zonder veel moeite aanvaard.
Op 23 november 1945 komt er een klein kontingent nederlandse troepen uit Australië op Java aan.
Samen met de geallieerde eenheden, houden ze daar slechts enkele enclaves bezet. De engelsen weigeren elke militaire inbreng van nederlandse zijde.
Hoe trager het herstel plaats vindt, hoe minder hun eigen belangen in Malakka van de konkurentie te lijden hebben.
De chicanes op hoog niveau doen helemaal vergeten dat tienduizenden gevangenen van de Japanners, onder wie talrijke nederlandse vrouwen en kinderen, nog altijd onzegbaar lijden in verloederde kampen.
Zij zitten nog steeds achter prikkeldraad, overgeleverd aan de kwellingen van sadistische bewakers, wandluizen, tropische zweren, honger oedeem, malaria, totale uitputting en morele wanhoop.
Groot-Brittanië schenkt aan de repatriëring van engelse en australische krijgsgevangenen in Malakka, Siam en Birma prioriteit boven de bevrijding van de nederlandse vrouwen en kinderen.
Na deze openhartige uiteenzetting, weten we in ieder geval waar we aan toe zijn en wat ons in Indonesië te wachten staat.
De taak zal niet gemakkelijk zijn. We zijn echter geen belangengroep, en daarom moeten we ons laten leiden door ons rechtvaardigheidsgevoel.
We vechten niet voor een militaire overwinning, niet tegen de onafhankelijkheid van Indonesië, want die is onvermijdelijk.
Wij zijn hier om de onschuldige bevolking te beschermen, om de terroristen te verjagen en de vrede te herstellen.
We zullen onderscheid moeten maken tussen serieuze nationalisten, die wij dienen te respekteren, en de misdadige elementen die we moeten bestrijden.

 

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 13