Hoofdstuk 11

O, schoon Indië.
 

Het is nu langzamerhand al weer ongeveer drie maanden geleden, dat we hier op Malakka aangekomen zijn.
En als we dan eens op een mooie maanlichte nacht, bij het pompstation aan de kali, op wacht staan en de klapperboom silhouetten roerloos tegen een bijna azuurblauwe hemel zien afgetekend, dan vervallen we wel eens in mijmeringen.
Onwillekeurig gaan de gedachten dan ook naar Holland, dat berijpte hollandse landschap, ik zou het wel weer eens even willen zien, en toch zijn de tropen ook mooi, steeds meer ga je ze waarderen.
In 't begin wist ik eigenlijk niet of ik het hier mooi of lelijk moest vinden, m'n herinneringen uit de lessen op school zeiden me: "het is hier mooi", maar het echte spontane idee: "wat is het hier toch geweldig mooi", ontbrak, omdat ik eigenlijk niets nieuws zag, ik zag louter dingen en beelden, die ik al eerder in aardrijkskundeboeken tegengekomen was.
Het oordeel over de schoonheid van de tropennatuur was me dus zuiver met de paplepel ingegoten.
Pas langzamerhand, ben ik een eigen oordeel gaan vormen, en ofschoon de streek hier als vrij lelijk bekend staat, moet ik zeggen dat ik het hier toch prachtig vind.

Dat vele landstreken in de tropen mooier zijn, heeft zijn oorzaak in het feit dat daar de schoonheid en pracht meer opgeschept liggen, meer in 't oog vallen, terwijl hier de mooie stukken voor 't merendeel verborgen liggen tussen en achter lelijke rubberplantages.
Doordat we er echter vaak opuittrekken, ontdek je steeds meer van die plekjes, soms hele gebieden van een exotische pracht, waarbij de ontegenzeggelijke mooie hollandse landschappen vaak in het niet vallen.
Is het meestal al moeilijk om een hollands landschap zo te beschrijven dat een vreemdeling het zich kan voorstellen, het tropenlandschap vormt waarlijk een probleem wat dat aangaat.
Probeer het maar eens onder woorden te brengen hoe je plotseling opduikend aan de rand van een eentonige plantage een padi-veld voor je ziet liggen.
Het is doorsneden met dijkjes, die van 't geheel een groot onregelmatig schaakbord maken.
Sommige vakken glimmen als spiegels als het zonlicht uit de staalblauwe hemel erop weerkaatst. Andere vakken zijn weer groen, net alsof het groene rogge is, alleen niet zo hoog.
Ook zie je gele stukken, dat zijn de hoger gelegen stukken, die al droog zijn. Daarop is de rijst rijp.
Ertussen, zie je de hoofden van de inlanders met hun karakteristieke punthoeden heen en weer bewegen. De padi wordt daar geoogst.
Ergens aan de rand van de vlakte wentelt een buffel zich lekker lui in de taaie grijze modder, terwijl een witte vogel op z'n rug deftig heen en weer stapt en, hier en daar, kleine wormpjes en insecten verschalkt, die hij blijkbaar erg lekker vindt en zich daardoor ook niets van dat grappige jochie met die stok aantrekt, dat zorgt dat de karbouw zich niet aan
de malse groene padi te goed gaat doen.
Aan de overkant van 't veld tegen de bosrand aan, die het veld omzoomt, staat een primitief inlands huisje, gebouwd op palen, bedekt met atap. Er naast wordt op een rokend vuurtje in een stenen pot rijst gekookt.
Ja, die bosrand, denk nu niet aan een hollands loofbos hoor, het is veel ingewikkelder, met een oneindige variatie, slanke geringde stam, heel bovenin beweging van reusachtige bladeren, met grote veren, in het zoeltje, dat bij tijd en wijle eventjes over het landschap strijkt.
Als we goed kijken zien we hoe in de oksels van de bladeren, stijf tegen de stam aangedrukt, de kokosnoten zitten, sommige zijn al rijp, bruin glanzende grote bolsters in de zon, anderen zijn nog groen, die moeten nog een poosje groeien.
Eventjes verder steekt tegen de groene massa, gevormd door ontelbare bomen en een dicht struikgewas een knaap van een boom af. Lijn dikke, onregelmatig gevormde stam is begroeid en omrankt met allerlei slingerplanten en lianen. Op z'n knoestige takken spelen een stelletje apen.
Links van die hoge palmboom, staat een andere hoge boom, die bij nadere beschouwing op z'n takken kranzen van een wildachtige parasiet heeft.
Daarginds is zowaar een hele boomgroep kaal. Dat zijn rubberbomen, die hier in deze tijd van het jaar, tengevolge van een droogte-periode gepaard gaande met een stijging van de temperatuur, hun bladeren voor korte tijd verliezen.
Dat staat daar leuk, dat frisse groen van die groep bananenstruiken. Hier en daar zien we blauwe, witte en oranje bloempjes tussen de struiken.
Snel flitst er een kameleon voor onze voeten weg. Grappig die kleurverandering van dat dier. Net nog liep hij door 't groen als een groen beest, nu echter vlucht hij langs de stam van een boom omhoog en zijn groene kleur is plotseling in grijs veranderd.
Om ons heen dartelen vlinders, fel gele en heldere witte, maar ook exemplaren, zoals je ze in verzamelingen ziet. Grote beesten met bontgekleurde, fel geschakeerde vleugels, die glinsteren in de zon.
Onophoudelijk hoor je het gesjirp van talloze onzichtbare krekels en het gekwaak van de brulkikkers.
Ergens tussen het groen verscholen fluit een vogel zijn melodieus liedje.
Dat is nu zo'n pareltje van schoonheid dat je verborgen kunt vinden tussen de grauwe massa rubberbomen, onopgemerkt door de pessimist, dengene die denkt dat het niet lelijk is, een lust voor het oog.
Tropen-nachten, onthullen ons hoe goed en mooi dit land is en hoeveel schatten het nu nog voor ons verborgen houdt.
De tijd van aflossing is echter aangebroken en met moeite maak ik me los van de bekoring van deze helderlichte schoonheid, waar het zo zoet mijmeren was.

 

 

Terug naar de intro

Naar hoofdstuk 12